terug naar index
Spookhuis, Nederscheldestraat

In den loop der maand Juni 1885, bevond ik mij op nieuw voor eenige dagen te Gent. Er wierd in die stad ter gelegenheid der aanstaande inhuldiging van het standbeeld aan Lieven Bauwens, veel gesproken – inonzderheid onder oude wijven, kinderen en ongeleerde menschen – van een spook of geestverschijning.
Er bestond alsdan in de Nederscheldestraat een oud gesloten huis. dit huis, thans afgebroken met andere gebouwen voor het voltrekken der schoone nieuwe straat die van de groote statie naar de hoofdkerk leidt, stond juist achter het standbeeld van den onsterfelijken Gentenaar. Het huis waarover ik u, lezer, eenige oogenblikken onderhouden wil, kende ik van kindsgebeente zeer wel. Volgens ik dikwijls heb hooren vertellen, was het, over bijna eene eeuw, bewoond door eenen conventioneel, die ook de dood van Lodewijk XVI gestemd had, en te Gent eene dochter verloren had, wier lijk op zekeren nacht in ’t geheim naar Frankrijk vervoerd werd. Het was eene nog al aangename woonst, langs achter uitgevende op de Schelde of den Reep, die thans gedeeltelijk overwelfd is. Het bezat ook een paviljoen en een kleinen hof. Vóór en na de omwenteling van 1830, werd hyet lang bewoond door den groot-majoor Van Regelmoortel, geboortig van Sint-Nikolaas, werd na de revolutie kolonel van het 2e jagers te paard, en overleed te Gent, als generaal der ruiterij. Zijne grafstede heb ik onlangs bezocht op het gesloten kerkhof, waar ook onze vader rust, buiten de Antwerpsche poort.
Dit huis moest, ik herhaal het, met vele anderen afgebroken worden; en te dier gelegenheid vertelde men onder het volk de volgende zonderlinge geschiedenis: De dochter van bovengemelden franschen uitwijkeling kwam alle nachten, na middernacht, de kamer waar zij gestorven was, bezoeken – het huis was alsdan reeds ongeveer dertig jaren onbewoond – en verlichtte de kamer die in eene doodskapel herschapen was, met wassen kaarsen, ging dan in den hof aan ’t bloemen plukken en versierde daarmeê het paviljoen !..
Slechts een drietal jaren had de doode opgehouden te verschijnen. Tot teeken van waarheid dier verschijning, zag men nog in de kamer der 1e verdieping, het geraamte of houtwerk van de “chambre ardente” of doodskapel !
Zoo als veel andere vreemdelingen, trok ik, door nieuwsgierigheid aangedreven, zekeren dag, rond zes ure ’s avonds, langs het paviljoen het tooverhuis binnen, toen ik eensklaps achter mij twee stemmen hoorde roepen: Mijnheer, Mijnheer !.. Mij omkeerende, zag ik eene vrouw en een oude manneken die mij vervaard toespraken, zeggende: gaat daat niet binnen, het spookt er !.. Tamelijk onbeleefd, ik beken het, snauwde ik hen toe: loopt naar den duiden !.. en ik trok de trappen op; maar het viel niet gemakkelijk om binnen te geraken, door de menigte... schildwachten – de kieschheid verbiedt mij het anders te zeggen – op den vloer, op de trappen, in alle hoeken en kanten...
Als ik nu met groote moeite en voorzorg in de mysterieuze kamer gekomen was, kon ik mij schier niet inhouden van lachen. Hoe konden de menschen toch zoo dom zijn, eene slaapkamer met ingemaakte alkoof aan de welke rechts een “cabinet de toilette” en links een “gemak” was, voor eene doodskapel te aanzien !.. Iets dat soch in honderde rijke huizen en kasteelen, te vinden is !.
Ja, hoe is het mogelijk dat er op het einde der 19e eeuw in de brandpunten van beschaving, als te Gent, Brussel, Antwerpen, Luik, tot zelfs in Londen en Parijs, nog bijgeloovige menschen te vinden zijn die aan spoken, geesten, tooverij enz. nog geloof hechten, en alle sprookjes daarover vertellen?

Uit:

Frans Edmond Lauwers: Mijn gedenkboek (1887), p. 241-244