terug naar index
Coupure

De Coupure en de Nieuwe Wandeling zijn twee namen welke, bij het uitspreken daarvan, onder de Gentsche bevolking onwillekeurig schrik verwekken.
Geen wonder ook, wanneer men somtijds bij het uitspreken daarvan de gevangenissen bedoelt, welke zich aldaar bevinden.

Op de Coupure staat de groote centrale gevangenis, vroeger ook wel het rasphuis genoemd, terwijl zich op de Nieuwe Wandeling het huis van bewaring, “Maison de Sûreté” bevindt, welke ook “ Klein Gevang” wordt genoemd.
Zij herbergen in hunne troostelooze cellen, een aantal rampspoedigen, die wegens fatale misdrijven tot de doodstraf of levenslange dwangarbeid zijn veroordeeld. Deze gedoemden verblijven hier weken, soms tot maanden groeiend, waarin de uiterste gerechtelijke instantie, de cassatieprocedure wordt uitgevochten, en dan, bij verwerping der herzieningen, het gratiedecreet, het decreet dat “begenadigd,” van den Koning afwachten.
Gewoonlijk zijn deze veroordeelden, na de uitspraak van hun straf, bij het weder binnentreden in de cel, eerst ten prooi aan een diepe neerslachtigheid, die minstens eenige dagen duurt en pas na geruimen tijd geheel geweken is.
Geleidelijk wordt de energie weer wakker en de hoop op begenadiging, om nogmaals na lange jaren, in het maatschappelijke leven te mogen terugkeeren, doet het vreeselijk effect van het vonnis vervluchtigen.
Juist daarbij heeft de geestelijke zijn schoone taak: hij moet die hoop levendig houden, doen gelooven aan de cassatie van het vonnis, aan het welslagen van het gratieverzoek, aan de clementie van den Koning.
Al deze ongelukkigen klampen zich aan die reddingskansen vast, en sommigen zijn geneigd, zelfs na de monsterachtigste vergrijpen, in deze redding te gelooven.
Hun dagen zijn kwellend, ondanks de verstrooiing die de milde hand van den geestelijke hun wil bieden; dan althans vinden zij in onafgebroken bezigheid eenige afleiding. Bidden, het lezen van boeken en het verrichten van eenigen arbeid, alsook nu en dan het ontvangen van een bezoek, verbreken de eentonigheid en geven soms zelfs illusies.
Ontzettend zijn evenwel de nachten, dier ongelukkigen slapeloos, of indien zij slapen, ontwaken zij nu en dan meestal uit een koortsige benauwenis van vernielende nachtmerries.

In andere cellen vindt men er, welke een lange of korte straf moeten ondergaan en vol ongeduld het oogenblik tegemoet zien, waarop men hun terug aan de maatschappij zal geven.
Vol schoone illusies verlaten deze in den regel hun treurig verblijf, doch komen al spoedig tot de naakte waarheid, dat al deze illusies voor hen slechts een droom zijn geweest, want meestal worden zij, bij hun terugkeer, door de maatschappij verstooten en voor goed daaruit verbannen.

Heeft zich ooit iemand wel eens afgevraagd, of hij niet te hard voor deze ongelukkigen is geweest? Moeten wij de gevangenis niet als een hospitaal beschouwen, hetwelk voor eenieder openstaat? Moge hier het woord van Christus: “Zij die zonder zonden zijn, werpe den eersten steen,’ niet worden toegepast?
Kom, laat ons eerst allen den balk uit eigen oog verwijderen, alvorens den splinter in een anders oog te zien.

Uit:
Pierre van de Moortel: Avonturen in de avonduren (1930), p. 11 - 14


Vind dit boek in de bibliotheek Gent