terug naar index
Yang-poëzieavond in galerij Foncke

Van schrijven komt er, gezien mijn toestand, en een wat futloos verder breien aan een artikel over Morris Rosenfeld niet meegerekend, nauwelijks iets in huis. Ik zit uren te suffen boven het papier, kras af en toe een woord neer, peuter het vuil vanonder mijn nagels, ga in de gootsteen pissen, bestudeer mijn kleine fransje, ik lees het Belgisch Israëlitisch Weekblad, ik slik mijn medicijnen, ik kijk naar de klok, ik tuur naar buiten, ik kras opnieuw een woord neer, en zo verder. Poëzie schrijf ik al helemaal niet meer: wat ik op 17 december op die Yang-avond in galerij Foncke heb voorgelezen, dat was zeer oude stuff. Daar was zelfs een gedicht bij waarvan ik het bestaan volledig uit het oog verloren was: het zogenaamde Gedicht voor M., dat ik overigens nooit voor onze Dichtende Russiese Prinses geschreven heb! Ja, je weet het, of je weet het niet, maar op geregelde tijdstippen overkomt het mij wel eens dat ik na een of andere echtelijke twist mijn Gehele Oeuvre, al dan niet voltooid, woedend aan snippers scheur, vervolgens opeet, of in het vuur werp. Vooral dat laatste levert doorgaans een fraai gezicht op: Gogol nietwaar, en bovendien doet het mij altijd denken aan mijn kinderjaren toen ik bij mijn overgrootmoeder pijltjes brandhout in de open Leuvense stoof gooide.
Voormeld gedicht moet ik op dergelijke wijze definitief in het verzenwalhalla hebben bijgezet totdat het, eensklaps, vermomd als kopie, uit Miriams "papieren" beliefde op te duiken. Vandaar de titel. Ken jij M. al lang?


Ik heb haar destijds ontmoet aan de universiteit (Gent) toen ik nog de dwaze ambitie koesterde de grootste slavist en Poesjkinkenner aller tijden te worden. Ach, jongensdromen. En toen kwam er ook nog een meisje langs dat gedichten schreef. Ik vond M. meteen een zeer mysterieus, een echte Russiese Prinses, zij het er een met trotskistische sympathieën. (Het komt in de beste families voor.) Ons allereerste gesprek, herinner ik mij, ging over haar geboortedorp waar ik zes jaar lang op kostschool heb gezeten. Vervolgens hadden we het over de poëzie van Hans Lodeizen die zij, Miriam, toen nog niet echt kende. Haar gedichten uit die tijd gingen toen nog uitsluitend over de bloemetjes en de vlinders & zet een kaars voor uw raam vannacht.


Ja, ik heb al haar jeugdwerk hier nog in een map zitten, want andermans gerief gooi ik nooit weg. Gelukkig is onze Prinses later over totaal andere dingen beginnen schrijven: Karige Maaltijden & Zo. Ik hou wel van haar werk: ik ben er bij vlagen zeer jaloers op.
Je hebt gelijk: de massa is lelijk maar ziet het niet. Is dat soms ooit anders geweest? Ga maar eens naar het voetbal, bekijk al die woeste koppen eens goed, of ga naar een popconcert, of naar een Yang-poëzieavond in galerij Foncke, en daar kon je niet eens van een "massa" spreken. De onzin die je hoort is overal dezelfde. Daniël Van Ryssel die op een barkruk klimt en om stilte verzoekt. Zijn Marijke vind ik anders wel een verdomd fraai gedraaid exemplaar. Zó zou mijn Zusje er misschien hebben uitgezien: wanneer ze thans nog leefde. Maar ze is Dood.


Na de lezing in Foncke zijn mijn huisgenote en ik meegereden met Miriam en Walter, bij wie wij nog een kleinigheid gedronken hebben, gezellig, maar om elf (23:00) uur waren we thuis, in Huize De Wanhoop, alwaar ik het dan maar op een ongecontroleerd zuipen heb gezet. Ik hou niet van poëzieavonden.

Uit:
Eriek Verpale: Katse nachten (2000), p. 182-183


Vind dit boek in de bibliotheek Gent