terug naar index
Traveling to Ghent

De Engelse aristocraat William Thomas Beckford maakte in 1780-1783 een reis naar Italië. Onderweg was hij geheel in de ban van al het moois dat hij van de Romeinse en Griekse Oudheid zou zien. Op doorreis in Vlaanderen maakten onze contreien (Gent inbegrepen) maar weinig indruk op hem.
Op de originele Engelse tekst volgt een Nederlandse vertaling door de redactie.

Letter I

June 19th, 1780. - -
(…)

The moment after I got out of the carriage, brought me to the cathedral [of Canterbury]; an old haunt of mine. I had always venerated its lofty pillars, dim aisles, and mysterious arches. Last night they were more solemn than ever, and echoed no other sound than my steps. I strayed about the choir and chapels, till they grew so dark and dismal, that I was half inclined to be frightened; looked over my shoulder; thought of spectres that have an awkward trick of syllabling men's names in dreary places; and fancied a sepulchral voice exclaiming: "Worship my toe at Ghent; my ribs at Florence; my

skull at Bologna, Sienna, and Rome. Beware how you neglect this order; for my bones, as well as my spirit, have the miraculous property of being here, there, and everywhere."
(…)


Letter II

Ostend, June 21st [1780]

(…)
Next morning, awakened by the sunbeams, I arose quite refreshed by the agreeable impressions of my dream, and filled with presages of future happiness in the climes which had inspired them. No other idea but such as Trinacria and Naples suggested, haunted me whilst travelling to Ghent. I neither heard the vile Flemish dialect which was talking around me, nor noticed formal avenues and marshy country which we passed. When we stopped to change horses, I closed my eyes upon the whole scene, and was transported immediately to some Grecian solitude, where Theocritus and his shepherds were filling the air with melody. To one so far gone in poetic antiquity, Ghent is not the most likely place to recall his attention; and I know nothing more about it, than that it is a large, ill-paved, dismal-looking city, with a decent proportion of convents and chapels, stuffed with monuments, brazen gates, and glittering marbles. In the great church were two or three pictures by Rubens, mechanically excellent, but these realities were not designed in so graceful a manner as to divert my attention from the mere descriptions Pausanias gives us of of the works of Grecian artists, and I would at any time fall asleep in a Flemish cathedral, for a vision of the temple of Olympian Jupiter. But I think I hear, at this moment, some grave and respectable personage chiding me for such levities, and saying, “Really, Sir, you had better stay at home, and dream in your great chair, than give yourself the trouble of going post through Europe, in search of inspiring places to fall asleep. If Flanders and Holland are to be dreamed over at this rate, you had better take ship at once, and doze all the way to Italy.” Upon my word, I should not have much objection to that scheme; and, if some cabalist would but transport me in an instant to the summit of AEtna, any body might slop through the Low Countries that pleased.

Being, however, so fat advanced, there was no retracting; and as it is now three or four years since I have almost abandoned the hopes of discovering a necromancer, I resolved to journey along with Quiet and Content for my companions. These two comfortable deities have, I believe, taken Flanders under their especial protection; every step one advances discovering some new proof of their influence. The neatness of the houses, and the universal cleanliness of the villages, show plainly that their inhabitants live in ease and good humour. All is still and peaceful in these fertile lowlands: the eye meets nothing but round; unmeaning faces at every door, and harmless stupidity smiling at every window. The beasts, as placid as their masters, graze on without any disturbance; and I scarcely recollect to have heard one grunting swine or snarling mastiff during my whole progress. Before every village is a wealthy dunghill, not at all offensive, because but seldom disturbed; and there they bask in the sun, and wallow at their ease, till the hour of death and bacon arrives, when capacious paunches await them. If I may judge from the healthy looks and reposed complexions of the Flemings, they have every reason to expect a peaceful tomb.

 

Op reis naar Gent

Brief I

19 Juni 1780

(…)
Op het ogenblik dat ik uit de koets stapte, was ik bij de kathedraal [van Canterbury]; een oude passie van mij. Ik had altijd haar elegante pilaren, duistere beuken en mysterieuze bogen vereerd. Vorige nacht waren ze plechtiger dan ooit, en echoden ze geen ander geluid dan mijn voetstappen. Ik struinde tussen koor en kapellen, tot ze zo donker en luguber werden, dat ik er min of meer bang van werd, ik keek over mijn schouder, en verwachtte bijna dat die gruwelijke plek mij een gemene loer zou draaien door met een rare grafstem te roepen:
“Vereer mijn teen in Gent; mijn  ribben in Florence; mijn schedel in Bologna, Sienna, Rome. Waag het niet dit bevel niet op te volgen; want zowel mijn beenderen als mijn geest hebben de mirakuleuze eigenschap om hier te zijn, en daar, en overal.”
(…)

 

Brief II

Oostende, 21 juni [1780]

(…)
De volgende morgen, gewekt door de zonnestralen, stond ik op, helemaal verkwikt door de aangename beelden van mijn droom en vervuld door voorspeld geluk in de streken die mijn droom hadden geïnspireerd. Op mijn reis naar Gent stond mij geen andere gedachte voor de geest, werd ik door geen enkele gedachte achtervolgd, dan deze aan Trinacria
[= Sicilië] en Napels. Ik hoorde nauwelijks iets van het afschuwelijke Vlaamse dialect dat rondom mij werd gesproken. Evenmin merkte ik iets van de rechte dreven, noch van het drassige landschap waardoor wij reden.
Toen we stopten om van paarden te wisselen sloot ik de ogen voor het hele schouwspel en werd ik meteen meegevoerd naar een eenzame Griekse plek waar Theocritus en zijn schaapherders de lucht vulden met zachte muziek. Voor wie zo benomen is door de poëtische Oudheid is Gent niet de meest aangewezen plaats om de aandacht te trekken; ik weet er niets meer over dan dat het een grote, slecht geplaveide, troosteloos uitziende stad is met naar verhouding indrukwekkend veel kloosters en kerken, volgepropt met monumenten, koperkleurige poorten en glanzend marmer. In de grote kerk [= Sint-Baafskathedraal] hangen twee of drie schilderijen van Rubens, gedegen vakwerk, maar niet gracieus genoeg gemaakt om mijn aandacht af te leiden van de pure beschrijvingen die Pausanias ons geeft van de werken van Griekse kunstenaars, en ik zou steevast in slaap vallen in een Vlaamse kathedraal, vergeleken bij een beeld van de tempel van de Olympische Jupiter [=de verdwenen Zeustempel in Olympia
].
Maar ik denk dat ik op dit ogenblik een ernstig en achtenswaardig iemand mij hoor terechtwijzen voor dergelijke lichtzinnigheden en dat hij zegt
: “Voorwaar Sir, u was beter thuisgebleven om in uw luie stoel te liggen dromen, in plaats van u de moeite te geven om met de postkoets door Europa te reizen en daarbij in slaap te vallen. Als er zo over Vlaanderen en Holland moet gedroomd worden, dan had u beter meteen een boot genomen om helemaal tot in Italië te suffen”.
Op mijn woord, ik zou niet veel bezwaar hebben tegen dat idee; en als een of andere samenzweerder me meteen naar de top van de Etna zou kunnen brengen, zou voor mij iedereen die het wil door de Lage Landen mogen sloffen.

Omdat ik zo ver gevorderd was, kon ik niet meer terug; en vermits ik alle hoop op het vinden van een tovenaar nu al drie of vier jaar heb opgegeven, besloot ik rond te trekken in gezelschap van Peis en Vree. Deze twee aangename godinnen hebben, denk ik, Vlaanderen onder hun bijzondere bescherming genomen; bij elke stap ontdekt men wel een nieuw bewijs van hun invloed. De netheid van de huizen en de properheid van de dorpen alom, tonen duidelijk dat hun bewoners in welbehagen en goede luim leven. Alles is stil en vredig in deze vruchtbare lage landen: het oog ziet niets dat niet verzorgd is, uitdrukkingsloze gezichten aan elke deur, een onschuldig-stom lachen achter elk venster. De dieren, zo vreedzaam als hun bazen, grazen onverstoord door; en ik herinner me nauwelijks een knorrend zwijn of een grommende doghond gehoord te hebben gedurende heel mijn doortocht. Voor elk dorp ligt een grote mesthoop, helemaal niet aanstootgevend want maar zelden ordeloos; en daar koesteren zij zich in de zon en wentelen zich rustig tot hun uur van dood en spek gekomen is, en dikke buiken op hen wachten. Te oordelen naar het gezonde voorkomen en de onbewogen gezichten van de Vlamingen, hebben zij alle reden om een vredige dood tegemoet zien.

Uit:

William Thomas Beckford: Dreams, Waking Thoughts, and Incidents (1783), letters I (p. 4) & II (p.6-7), ook op internet: http://www.gutenberg.org/dirs/etext05/drwt10.txt