terug naar index
Scheldelandschap

Gezien wij twee uren vooruit zijn, alhoewel het nog vroeg was [ – ] niet alleen worden wij in ons dagelijks leven bedrogen, maar nog in onze tijdrekening daarbij [ – ], stapte een man van rijpe leeftijd langsheen de scheldedijk van Heirnisbrug naar Heusden op. Hij was gekleed met schoenen met rijgkoorden toegehouden, een grijs-roode saietten halsdoek aan de hals, een donker zwarte overjas met twee rijen knoopen op, die vast en zeker van de mode van den tijd niet was, op het hoofd een gespekelde grijze Englandsche klak. (…)


Hij scheen veel belang te hebben aan het schoone, [aan de] schier nog naakte landijen, die langsheen de beide oevers der Schelde lagen, waar reeds enkele partijen met snijkoorn bezaaid waren, die reeds goed opgeschoten waren. Ook waren [er] lappen grond, die ongespit waren, en [waar] hier en daar reeds enkele troskens piep jonge blaadjes schuchter buiten de grijs-roste aarde staken; het waren patatten die opschoten. Anders zag men niets, en de weilanden stonden in volle groei, waarop […] nog een aantal koebeesten en enkele kalvers liepen, en voor eenig voedsel, de toemaat van gras mo[cht]en afknabbelen, juist genoeg om niet van honger te sterven.


De kronkelende Schelde stroomde in grill[ig]e bochten om het landschap, en op de waterspiegel rimpelden kleine golfkens, die in den Noord-Oosten wind gevormd werden; en de lieve Meiwind, eenigzins warm deed de zon, die somtijds van achter de witte wolken aan de azuurblauwe hemel verscheen, op [de door] het glad hooge tije gevormden waterplas heur stralen schitteren, waarin de veelkleurige regenboog weerkaatste.


Alhoewel het op de kerktoren van Gendbrugge, rechts [in] het bekoorlijke landschap, [ op de] vergulden wijzerplaat, evenals [op] de kerktoren van het Heilig Hart te St. Amandsberg, door de opkomende en neerduikende zon, als goud blonk[…], en deze zeven uur aanwezen, was het werkelijk nog maar vijf uur, aangezien de bezetter onzen tijdstond twee uur vooruit deed zetten[. Toch] zag de reiziger in de verspreidde werkmanshuizen of boerenhoven [,] op de “Kouter” zoo grillig verspreid, geen schouwkens rooken, juist als de hooge schoorsteenen der fabrieken, die op de linker oever staan, die anders zwarte en witte rook spuwden, koud en stil [stonden], als zwijgende reuzen, en geen geronk van draaiende mekanieken werd gehoord.
Alles was doodstil in het rustig[e] en schilderachtige landschap, met als voorgrond de Schelde. Langs de schuinsche hellende watertalu[d]s, waren op sommige plaatsen oude vrouwkens met gerimpeld[…] beenig wezen en handen gezeten, op gevaar van het evenwicht te verliezen en in het water te tuimelen, en [ze] sneden wat lang opschietend gras af, of trokken de blaarkens af van wilde spinazie en klaver, om dit schrale voedsel te laten dienen, aan een graatmagere geit of een paar konijnen, die de sukkels verdoken gaweg in een stalleken of in hun kelder ophielden, want moesten die schobbejakken van de kontroleurs van het ministerie van landbouw en voedselvoorziening hun betrappen, zij zouden hun arme dierkens, die hun [later] eenig geld opbreng[en], afpakken, met op den hoop toe nog een boete bij […], voor… voedselontduiking.


Maar gezien de opgehoogde dijken wel twee meters boven het winterpeil van de waterplas steken, en ook met gras begroeid zijn, zien die moderne tirannen die vrouwkens of mannen niet zitten; daarbij langs de Scheldedijken komen zij niet zien, daar het water een gevaarlijke en stomme getuige is, [waar] hen door een wildrijdende fietser [die zig-zag gewijze rijdt] op de door karresporen doorploegde “wandelweg van Vlaanderen” zooals de Touring Club de Belgique deze halsbrekersweg spottend noemt, een neuk [zou] kunnen [worden ge]geven, onvrijwillig ekspres, [men hen] de talus [zou] doen afrollen, in de machtige Schelde – zoo roemvol bezongen – terecht komen, en [ze er] al heel wel met een nieuw pak [zouden] van afkomen, zoo zij spoedig gered worden; zooniet [zouden] kunnen verzuipen als een mol in zijn hol, daar langs beide oevers geen watertrappen zijn aangebracht, en geen balustraden bestaan.


Geen schip bevaarde de Schelde; de schippers moesten noodgedwongen en tegen hun zin de Eén Meidag of de arbeidersdag vieren.
De boeren zijn niet te betrouwen, en koesteren een inwendige vrok tegen de bezetter en tegen de kontroleurs van de voedselvoorziening, meer dan tegen de aksijzemannen van [accijnzen op] ’t jenuiver drinken en verkoopen, en wee hen die den boer openlijk of bedekt in den weg loopt: Vraagt het maar eens aan de smokkelaars aan de grenzen en de doeaniers! De kommiezen der landbouw, rantsoeneering, die voor een beete broods dit gevaarlijk werkje doen, weten dit ook wel, en schuwen die eenzame wegen, en Scheldedijken.


De regenachtige witte wolken die in het luchtruim zweefden, werden langzamerhand weggedreven, waar “De Dageraad” begon te gloren aan de oosterkim. De opdagende zon haalde meer en meer de bovenhand op het verkleumend Noord-Oosten windje. Plots keerde de reiziger zich om, en keek nog eens met welgenoeg[de] oogen stadswaarts, waar hij in de heldere morgenstond, alhoewel nog eenigszins wat bewolkt, de drie torens van Gend, het Belfort, Sent Baafskerk, en de Lieve Vrouw op Sent Pieters aanschouwde, en trok dan de sterk kronkelende Scheldebocht om. Op een hoogen ijzeren paal zag hij op een blauw geverfde plaat in witte cijfers 1200 staan, dat beduidde dat hij half wege de bocht was, en hij twaalf honderd meters gegaan was van Heernis Sas en Spoorwegbrug, en ook twaalf honderd meters stroomopwaarts naar Heusdenbrug kon gaan. Dit is eene aanwijzing voor de schippers om in tijds hunne schepen te laveeren, en alle botsingen te vemijden.
Op het Heiken gekomen, had hij daar een slag, of een zandwegel, welke zich door de weelderige akkers slingerde, met op de achtergrond een dekor van een donker, dichtgebladerd[…] bosch, toebehoorende aan de burgemeester, graaf Cardon de Lichtbuer, welke het geluk had !? een kompanie Duitschlandsche soldaten der weermacht op zijn eigendom gehuisvest te hebben. Aan die tweesprong staat een huizeke, boerenhof van een verdiep, verdoken achter vier, in weelderige groei staande wilgeboomen, die naar godsdienstige opvatting de vier uitersten van den mensch verbeelden: “Geloof, hoop, liefde en vertrouwen!”


[Het] wijd uitgestrekte takkengewelf vormt een krans om het huis, daar het twee meters diep in de Scheldedijk als weggezonken is, daar in de jaren 1890 de dijken zooveel opgehoogd zijn om de overstroomingen te beletten, daar de bocht in wintertijd een geweldige branding is, daar deze een sterke baai is. Die wilgen waren reeds volop door blaren begroeid, die tot boven het strooien dak reikten, en het huiske bijna onzichtbaar maakte[n].
Op de gevel staat in half uitgewischte letters te lezen: “in het oud Schippershuis” en [dat] was in den goeden ouden tijd een zalige p[l]eisterplaats voor verliefde paarkens, die in hunne idyllen bij zomerdag in de velden gingen dwalen om ongestoord, tusschen vier oogen van de natuur te genieten (…).

Uit:
Oskar Verburgt: Smokkelaars en woekeraars (gecit.ed. 1941) [typoscript], p. 14-17