terug naar index
Quartier des invalides

Reynier werd ontslagen uit het Academisch Ziekenhuis. Hij zocht me op. Hij had een auto geleend, van zijn jongste zus, van Kathy.
– "Ik ben aan hun messen ontsnapt," vertelde Reynier me trots. Hij liet me de littekens zien. Hem kregen ze nog niet zo gauw in het graf. Hij was een ouwe Belg. Ambiorix. Hij droeg een tsjapka. Hij las nu weer Toergenjev. Hij, Reynier, hij zou een boek schrijven. Over zijn leven. Over zijn vader, moeder, over zijn zussen. Hij hield erg veel van zijn jongste zus. (Ik moet toegeven: Kathy was een mooie jonge vrouw: ik had haar weleens ontmoet.) Reynier zag er gezond uit. En, kleine Verpalle: hij had een flat gevonden. In Gent. Niet ver van het Academisch Ziekenhuis. Tegenwoordig heette dat het Universitair Ziekenhuis. Dat kwam goed uit. Hij was nog altijd aan de kunstnier. Vandaar. Vanuit zijn bed stapte hij als het ware naar de dialyse.
(…)
Hij overhandigde me De Onzichtbare Steden. Hij had het boek niet gelezen. De verhuizing naar zijn flat had hem te veel in beslag genomen.

Zijn flat. Het leek een nieuw begin.
– "Het is het quartier des invalides," legde Reynier me uit: nergens elders woonden zoveel kreupelen, gescheiden vrouwen, minimatrekkers en randgevallen samen. Zeer eufemistisch hadden de straten namen van edelstenen meegekregen. Vanuit Reyniers flat keek je uit op een klein kerkje, en op de hoge gebouwen van het van naam veranderde ziekenhuis.
– "Hier zit ik hoog en droog," zei Reynier. Geen gesjouw meer met houtblokken voor de kachel, want eindelijk, voor het eerst in zijn leven, woonde hij in een huis met centrale verwarming. Heel trots liet hij me de badkamer zien. "Hier zit ik soms uren," vertrouwde hij me toe.

Uit:
Eriek Verpale: Alles in het klein (1990), p. 99-100


Vind dit boek in de bibliotheek Gent