terug naar index
Professor Schrickx

Ik bén Germaanse beginnen te studeren. Ik ging bij Mossel op kamers: het Daniël-kamertje. Ik koos voor Nederlands en Engels, want Duits lag me niet. En waarover gaat gij uw thesis maken, vroegen ze aan de unief, mijn jaargenoten.
Over Leonard Cohen, antwoordde ik.
Maar dat is ne zénger, riep professor Schrikx uit, die op zijn Antwaarps Engels doceerde.
Niet waar, verdedigde ik mij. Dat is ook een dichter én een romanschrijver. Kijk maar: The Favorite Game.
Maar vroem hém, wou Schrikx weten. Why Cohen?
My father was a Canadian Jew, answeerde ik.
‘t Was goed.


Ik studeerde ijverig, beet me door allerlei muffe cursussen, en intussen converseerden Mossel en ik nog maar bijna uitsluitend in het Jiddisch. Het waren heerlijke avonden.
Omstreeks diezelfde tijd was ik erachter gekomen dat er een Joodse Studentenkring bestond. Op een zaterdagavond, na het sluiten van sjabbat, trok ik mijn stoute schoenen aan en trok er heen. De kring was ondergebracht op de bovenste verdieping van een groot pand. De jongen aan de ingang fronste zijn wenkbrauwen, maar ik kon hem mijn studentenkaart én gloednieuwe ledenkaart van de Kring laten zien. Daar had Mossel voor gezorgd. Tot mijn grote verbazing trof ik onder de menigte een meisje uit de Germaanse aan: Rachel – Shelly – De Vries.


Mijn hart sprong op. Al vanaf de eerste kandidatuur had ik mijn oog op haar laten vallen, maar ik had nooit iets laten blijken want ik, zoon van Uri Krakower, zou met een Joods meisje trouwen, niet met een sjikse.
Was De Vries een Joodse naam? Ja, inderdaad: nu ik Rachel aandachtiger gadesloeg meende ik zo iets als een klein, sympathiek gebogen neusje te ontdekken. En o god, natuurlijk was ze een Jodinnetje! Zij maakte haar thesis toch over Philip Roth? Over Goodbye Columbus?
(…)


Drie dagen later zat ik naast Rachel De Vries in het college van Schrikx. Ik stopte haar een enveloppe toe. "Openmaken," fluisterde ik. Er stak een Davidster in. Maar Bernard! zei Rachel. Maar ze was er toch heel blij mee. Tooda rabba, zei ze. Bedankt, Bernard.

Mijn thesis over Leonard Cohen was af en zelfs Schrikx was er over te spreken. Het was juni 1967. Thank you sir, mompelde ik terwijl ik Schrikx zijn dorre hand schudde. En ik verontschuldigde mij omdat ik weg moest. Weg, vroem? waarom? wou Schrikx weten.
Ik moest naar het Koningsplein, mompelde ik.
Op het Koningsplein werd door de Joodse Kring een betoging georganiseerd. Waarom op het Koningsplein? vroeg Schrikx.
Omdat daar tijdens de oorlog de Gestapo gezeten had, antwoordde ik. Nu was het oorlog in Israël. Het was ons, het was mijn volk dat door de Arabieren in zee gedreven zou worden. Let my people free, zongen we. En We shall overcome. En ‘s avonds was er een fakkeloptocht. Rachel, die ik nu gewoon Shelly noemde, liep naast mij. Ik was gelukkig, o, wat was ik gelukkig! Er werden nog meer liederen gezongen, ook in het Hebreeuws. Ineens zette ik Zog niet keinmol az doe geetst deem letsten veeg in. Shelly viel ook in. Ze schudde haar krullen. Ongelooflijk, zei ze, dat is het énige Jiddische liedje dat ik ken: Zog niet keinmol az doe geetst deem letsten veeg. En ze gaf me een hand.

Uit:
Eriek Verpale: Olivetti 82 (1993), p. 206-208


Vind dit boek in de bibliotheek Gent