terug naar index
Oude Bijloke

1

Vierbladig schuift het zon-rozet
langs muren, geel als late middag,
naar een avond van vergeten,
slikken en de eigen adem eten.

Verpleger, witte pauw;
hij legt zijn hand stil
op de oude koperklink.

Er zijn twee monden die de ander
in hemzelf weer welkom heten,
als sliep een nieuwe vrijer
in zijn huid.

Maar elke slaap loopt weer
op een vergissing uit.

Hij hoort hoe
door de hoge gele gangen

kinderen, in deze bleke ordening
gevangen, lachend aanschuiven,
slachtoffers van God en van
zijn lang verdwenen bruid.


2

Nu al: hij ziet hoe bloesems
in de wanden en de radiators hangen,
roest en grillig,
voorbode van rood.

De echo’s hebben lange handen
in de gangen, hoofden en lakens
in de manden,
hij heeft het vaag gehoord.

Maar verder, in de weerschijn van
de nissen, staan zwarte schimmen
en ze pissen bloesems op behang.

Hij wou hij kon verliggen, zich
traag wenden naar het diep
gezonken aangezicht dat hem,

als een vallende boom in
zwarte bloei, adem beneemt,
en licht.
 

3

‘Zo − hier bracht men dus de
mensen heen die gingen leven.’
Licht in rozetvorm veegt zich
langs oktoberblauw een late dag.

Carbool, lichte gordijnen, en
buiten nog een maat of twee,
een rokje dat opwaait,
muziek die niet veel langer
meegaat dan het krassen van
de eerste kraai.

Ver zijn de stad, het binnenhof,
de stil gesnoeide hagen
en het bladerlabyrint.

Hij doet zijn ogen open.
Hij glimlacht als een kind.
 

4

Gegleden, uit de warme handen
van de wereld, bleef hij op
de oude hoge gang nog even
liggen, zag hoe alles verder

ging: hij wiste zich het hoofd
en het geheugen. Daar, in het
smetteloze pleisterwerk, was
in die vage witte vorm reeds de

afdruk van een ziel te zien?
Lichaam dat niemand kon herkennen?
Ach, sprak de zwarte schaduw
vloeiend uit zijn zij:

alles wat na je laatste uur
je nog te beurt kan vallen
is liefde voor de leugen −
van ons allen.

Toen viel hij werkelijk in slaap.
En droomde van ontwaken.

--------------------------------------------------------------------------------

© Stefan Hertmans, 2005

Uit:

Stefan Hertmans, Annunciaties (1997), p. 21-24



Vind dit boek in de bibliotheek Gent