terug naar index
Hoe de klokken luidden te Gent

De Witte Kaproenen, de mannen van Gent,
Zij konden hun graaf niet lijden.
Ze staken verbolgen de koppen bijeen,
de wevers- en leerlooiersgilden.
’s Gravens gezant hieuwen ze neer met het zwaard
en zegden dat ’t beter ware
Met speren tegen de graaf van Vlaand’ren te gaan
om hem rechtsom te doen keren:

“In Ieper zitten ze braaf achter de poort,
En Brugge is een nest vol verraders;
maar Gent is machtig en Gent is groot,
En nu is ’t met ons geduld is ten einde!

Wij wasten het leder en sponnen de draad
slechts tot vertier van zijn graaf’lijke genade,
maar willen nu pogen een andere  raad
en onze ijver met speren beproeven.

Laat maning en roep klinken wijd alom
en de klokken machtig bonzen
om de mare van Gent over daden groot
in heel ’t Vlaanderenland te verkonden.”

In Brugge zat heer Lodewijk van Male,
de machtige graaf van Vlaand’ren,
in somber gepeins over de stede van Gent:
welk middel nog te proberen valt,
als eerder al rad noch wiel
noch al die privilegiebrieven
konden snoeren de mond van dat koppige volk
en zijn grimmige gildedekens:

“Op de Leie varen schepen met huiden en wol
en Gentse buidels raken van zilver vol;
maar spreek ik van lasten of tol,
dan rijst hun protest ten hemel.

Op de Schelde varen schepen met malt en wijn,
en onvermoeibaar in ’t drinken de Gentenaars zijn;
maar meer rede bezit een wild everzwijn
dan een Gentenaar die diep in ’t vat heeft gekeken..

Mijn gezant vermoordden ze, mijn kasteel verbrandden ze
‘t was maar om te verwittigen, zegden ze;
God sta bij de heer die ’t als lot beschoren kreeg
te tuchtigen zulk een bende.”
(…)

Uit:
Frans Gunnar Bengtsonn: Dikter (1950), p. 225-231. Vertaling niet eerder gepubliceerd (nvdr)