terug naar index
Een havenkroeg in de Muide

De moeder van de 15-jarige Gentse volksjongen Spijker baat een café uit in de Muide.

Spijker had zijn moeder beloofd voorzichtig te zijn. Hij beloofde het haar elke ochtend als hij om kwart over zes vertrok. Zijn moeder dreef een kroeg die “De Kapiteinsclub” heette, hoewel er nooit een kapitein een voet had binnen gezet. Er kwamen alleen dokwerkers en scheepsbouwers uit de buurt. Af en toe spoelde er ook een groepje Russische matrozen aan die dan gezamenlijk een vat bier leegdronken maar zelden of nooit een kapitein. “De Kapiteinsclub” was immers een echte havenkroeg waar de blauwe sigarettenrook als een nevel aan het plafond hing, waar de toog gemaakt was van boeghard scheepshout en waarvan de gevel smeekte om een likje verf. Het café lag in de havenbuurt van Gent, op de hoek van twee straten die naar grote steden uit verre werelddelen waren genoemd. Spijker was in de kroeg opgegroeid, net als zijn vader en diens vader voor hem. Het interieur van de kroeg was door de jaren heen van uitzicht veranderd, maar de grote toog was er altijd blijven staan. Spijkers vader hield van de toog die hij elke paar maanden minutieus oliede zodat het hout ging glimmen. Wanneer de olie erin getrokken was, wreef zijn vader met de vlakke hand over de toog zoals hij het zijn eigen vader had zien doen. Spijker deed die beweging van kleins af aan na. Het oliën van de toog werd een ritueel van vader en zoon. Spijker kende elke groef in het blad, elke deuk in de wand en elke zwarte streep in de rand die de stille getuige was van een sigaret die er ooit was ingebrand. Maar de afgelopen zeven maanden had Spijker het hout niet meer aangeraakt. Niet meer sinds de dood van zijn vader.
(…)
De tram stopte bij de laatste halte van de Muide. De avond was al ingevallen en Spijker liep naar “De Kapiteinsclub”.

Uit:

Jean-Claude van Rijckeghem en Pat van Beirs: De zevende sluier (2003), p. 5-6 en 24



Vind dit boek in de bibliotheek Gent