terug naar index
De Swanns

De familie Swann was niet rijk, maar steenrijk. En Franstalig. Híj was een kleine, kogelronde man, afkomstig uit Lotharingen, en als antiekhandelaar had hij geen fortuin, maar fortuinen weten te vergaren. Hij had er een neus voor, en van overal uit Europa sleepte hij dressoirs, Provençaalse klokken, Schotse doedelzakken en prototypes van schrijfmachines of duivenklokken ("constateurs de Wachtebeke") weg; hele kasteelinterieurs, inclusief wandtapijten, heraldieke geschriften, wijnkelders en bibliotheken veranderden, door zijn toedoen, van eigenaar. Zíj, zijn echtgenote, Madame Swann dus (meisjesnaam Van Damme), was een geboren Gentse en het Frans waarvan ze zich bediende was er dan ook naar. ("Il va son corridor avec son ourscréateur.") In tegenstelling tot Monsieur Swann was zij lang en mager, het woord "pezig" is hier op zijn plaats, en zij was het die de antiekzaak in de St.-Pietersstraat bestierde, klanten te woord stond, catalogi samenstelde en Nonkel Punaise het leven zuur maakte, want "goed" was het natuurlijk nooit wat de arme man deed, en opgelicht voelde la Swann zich altijd (Nonkel Punaise was hun vaste restaurateur, een zeer bekwaam vakman die echt van zijn stiel hield en iemand die aan de manier waarop een collega een punaise in een stoelzitting had gedreven, reeds kon concluderen of hij al dan niet met een knoeier te maken had. Tante Georgette boende de gerestaureerde meubelen, en deed dat al evenzeer met grote vakbekwaamheid.
(…)


Het appartement van de Swanns rook naar hond: dat was het eerste wat me opviel. Voor het overige ademde er een zeer bedrukte atmosfeer, misschien vooral veroorzaakt omdat nergens een negenenveertig vierkante centimeter grote plaats gevonden kon worden waar niet een bibelot, biscuit, medaillon of portret stond of hing. (Ik begreep onmiddellijk waarom mijn moeder ’s avonds soms lichte zenuwtoevallen kreeg en geluidloos begon te huilen, want stof afnemen, in deze met snuisterijen, vaasjes, doosjes, bijzettafeltjes en voetbankjes volgestouwde ruimte, moest, zelfs voor mijn overvoorzichtige moeder, bepaald geen sinecure zijn, maar een beproeving. Het arme mens. Want dat deed ze allemaal om mij, haar zoon, straks naar een dure kostschool te kunnen sturen.) Pronkstuk in de salon, waar mijn moeder en ik ontvangen werden, was een protserige, mahoniehouten etagèrekast die uitpuilde van alle mogelijke voorwerpen die, naar beweerd of aangenomen werd, alle aan keizer Napoleon ("Bonaparte") hadden toebehoord: zijn zilveren drinkbeker, een waaier van Marie Walewska, een gravure van zijn eerste aide-de-camp (Géraud Duroc), ivoren dobbelstenen, een snuifdoos – zijne keizerlijke hoogheid had de gewoonte ondergeschikten daarmee vrij hardhandig op het hoofd te slaan – en verder een gouden inktpot, een toneelkijker, en alles voorzien van het keizerlijke monogram.

Uit:
Eriek Verpale: Katse nachten (2000), p. 73-76


Vind dit boek in de bibliotheek Gent