terug naar index
De graftombe van Geeraard de Duivel, onder de Muide

De 14-jarige Spijker wordt door ‘professor’ Hans Swaert en dokwerker Fredje meegelokt om iets bij te verdienen. Een tocht door de riolen onder de Muide brengt hen naar de graftombe van Geeraard de Duivel…

Fredje knipoogde naar Spijker en richtte zijn lantaarn op een massieve, arduinen steen die in twee stukken naast het gat lag. Op die steen stond een tekst gekerfd. De letters waren moeilijk leesbaar en Spijker ging door de knieën om ze te lezen. Het duurde even voor de betekenis van de tekst tot Spijker doordrong:

Hier Leghet Gherardus Villanus
Gesegt Den Duvel
Borchgraeve van Ghent
Die Staerf Int Jaer Onzes Heeren
Twaelfhonderd en Vijf en Tfijftich
Bid Over Hem
Ic Besweir U Goeden Pilgrim
Ghij Die God Vreset
Opene Niemaels Deze Tombe
Want Den Duvel
Hij Levet Eeuwig

“Gherard Vill...?” stamelde Spijker.
“Gerard De Duivel,” bevestigde de professor, “we hebben zijn graf gevonden.”

[Hoofdstuk] 2.

Spijker voelde een kilte langs zijn ruggengraat omhoog kruipen. Hij keek naar de professor met ogen die om uitleg vroegen. Fredje grijnsde, haalde een worst uit zijn rugzak en sneed er met een zakmes een stuk af. En de professor vertelde.
“Ik moet, als assistent middeleeuwse geschiedenis, vaak opzoekingen doen in abdijen. De meeste oude Vlaamse abdijen hebben privé-bibliotheken. Daar worden teksten bewaard die nergens op een inventaris staan en waar in honderden jaren niemand ooit meer zijn neus heeft ingestopt. Meestal zijn dat documenten waar geen hond brood van lust. Jaarrekeningen, plattegronden, Latijnse gezangen... maar enkele maanden geleden ontdekte ik een bundel perkamenten die waren opgesteld door Baudemundus, de blinde abt van de Sint-Pietersabdij te Gent. Ondanks zijn blindheid had hij een relaas geschreven over Gerard, burggraaf van Gent, bijgenaamd ‘De Duivel’...

“Waarom ‘De Duivel’,” vroeg Spijker.
“Omdat hij een bloeddorstige oude baas was,” grijnsde Fredje, en op de Kruistochten heeft hij danig de beest uitgehangen.
“Sinds zijn geboorte had hij een onverklaarbaar donkere huidskleur,” verbeterde de professor geërgerd, “en op het einde van zijn leven werd hij beschuldigd van hekserij. Er kwam een godsgerecht en de getuigenissen tegen Gerard waren overweldigend. Men had hem betrapt op alchemie. Men had hem door de lucht zien zweven met schimmen uit het dodenrijk. Men had gezien hoe hij in de St.-Janskerk naakt voor het altaar stond, in vreemde talen sprak en de hostie, het sacrament van mirakel, met een dolk doorboorde. Maar dat waren getuigenissen van bedelaars en oude vrouwtjes die het toegestroomde volk aan het lachen brachten. Het was de getuigenis van de abt Baudemundus die het lot van Gerard bezegelde. Op de Lammasnacht van 1 augustus, op de nacht dat de hel opengaat en alle graven geeuwen, had Baudemundus aanschouwd hoe Gerard oogballen van kinderen leegzoog, maagdenbloed dronk uit een nog warme schedel en vervolgens schaak speelde met de duivel. Op die nacht werd Baudemundus met blindheid geslagen en op basis van die getuigenis besloten de zeven wethouders van de stad, die jaloers waren op de macht en rijkdom van de burggraaf, Gerard ter dood te veroordelen. Gerard werd begraven in ongewijde grond, in een verborgen crypte, op een eiland buiten de stad...”
“Het eiland van de Muide,” vulde Spijker aan. “Maar waarom een verborgen crypte?”
Hier aarzelde de professor. Hij keek naar Fredje, die hartelijk moest lachen.

“Ze hebben de oude baas levend ingemetseld,” maatje, zei Fredje met zijn mond vol.
“Niemand durfde hem terecht te stellen,” zei de professor haastig. “Gerard sprak een vloek uit over zijn rechters. Wee de man die hem zou doden, want Gerard zou hem meeslepen naar de hel en hem als speeltje aan Satans kinderen schenken. Er was geen beul die durfde hem terecht te stellen zodat de wethouders besloten hem levend in zijn graftombe te leggen en de ingang van de crypte dicht te metselen. Hij zou er na een paar uur omkomen door gebrek aan lucht. Maar in de weken na Gerards dood lieten de zeven wethouders één voor één het leven. Ze dreven allemaal dood in één van de grachten van Gent. Alsof een gauwdief hen stuk voor stuk in het water had geduwd of een watermonster hen erin had gesleurd. De abt Baudemundus had de wethouders nog zo gewaarschuwd dat ze de oevers van de Gentse grachten moesten mijden. Het zwarte water uit de leien was immers de bondgenoot van de duivel. In die tijd bestond Gent uit een netwerk van eilanden, grachten en rivieren, dus er was geen ontkomen aan. De abt besefte dat ook hij aan zijn einde zou komen en hij maakte het perkament op, zodat niemand de zonden van Gerard zou vergeten. Hij was er zeker van dat Gerard de zeven wethouders had vermoord vanuit zijn graf.”

Spijker keek de professor bleekjes aan. Fredje had ondertussen een touw vastgemaakt aan een ijzeren ring in de muur. Hij testte een kleine zaklamp en duwde een klein breekijzer tussen de riem van Spijker.
“Klaar,” zei Fredje, “en het is tijd. Ik blijf hier niet kamperen, oké?”
De professor knikte en haastte zich om zijn verhaal af te maken.
“Uit de tekst van Baudemundus kon ik afleiden dat de crypte zich op het Muide-eiland moest bevinden,” zei de professor haastig, “en ik herinnerde me uit een studie dat men hier tijdens het graven van de riolering op het einde van de 19de eeuw op een netwerk van Middeleeuwse gangen is gestoten. Die gangen werden toen nauwelijks verkend omdat de riolering snel klaar moest zijn. We hebben gedurende enkele maanden de rioleringen onderzocht en we hebben de crypte gevonden...”

“En wat is gebeurd met die Baude...dinges,” vroeg Spijker.
“Twintig jaar lang weigerde hij zijn kamer in de Sint-Pieters abdij te verlaten uit angst voor Gerard. Maar na al die jaren deed hij het toch. In het holst van de nacht verliet hij, vergezeld door een monnik, de abdij. De volgende dag werden ze allebei aan de voet van de Rode Toren dood aangetroffen.”
“De Rode Toren?” vroeg Spijker.
“Ja, die bestaat nu niet meer. De Rode Toren was het baken van de oude haven van Gent, waar zich nu de Dampoort bevindt. De Toren bewaakte de doorgang van de Schelde naar Antwerpen. Baudemundus wilde langs daar wegvluchten uit Gent. Hij had op zijn pakpaard zijn hele hebben en houwen vastgemaakt. Maar aan de rand van Gent, bij de Rode Toren, had de duivel hem nog te pakken...”

“Je kan niet vluchten van de duivel,” grinnikte Fredje en hij scheen met de zaklamp in het gat in de vloer. Spijker zag een lange donkere gang die leek uit te monden in een soort kamer. Een diepe krocht onder de aarde. De gang leek op een schoorsteen. En toen besefte Spijker eindelijk waar ze hem voor nodig hadden. Hij was lang en mager als een tandenstoker en hij kon door de smalle schacht de kamer bereiken. En in die kamer lag het graf van Gerard, burggraaf van Gent, bijgenaamd De Duivel.
“Vooruit maatje, kruip er maar in, je bent toch niet bang, hé,” spotte Fredje.
“Moet ik daarin? Maar waarom?” stribbelde Spijker tegen.
De professor duwde Fredje opzij en knipoogde naar Spijker om hem gerust te stellen.

“Je moet weten dat die Gerard op kruistocht is geweest, ergens in de dertiende eeuw en dat hij uit het Oosten een juweel heeft meegebracht. En de legende wil dat hij dit juweel mee heeft genomen naar zijn graftombe.” De professor knipoogde opnieuw maar het stelde Spijker geenszins gerust. Het enige waar hij aan dacht is dat die twee lui verwachtten dat hij in dat gat kroop en hij had er geen zin in.

Uit:
Jean-Claude Van Rijckeghem en Pat Van Beirs: Duivelsoog  (2002), p. 12-17


Vind dit boek in de bibliotheek Gent