terug naar index
De dreigende aanwezigheid van het water

De 14-jarige Gentse volksjongen Spijker is zich bewust van de gevaren van het water, voor en nadat hij op het nippertje ontsnapt aan de wraak van Geeraard de Duivel.

Spijker probeerde zich in te beelden waar zich overal water bevond. Gent mocht dan geen stad meer zijn die bestond uit water en eilanden. Het water kreeg je nooit helemaal weg. Het was er nog. Het stroomde onder de straten, boorde zich ver onder de kelders, sijpelde door de muren. Het water van Gent. Hij wist zeker dat het water hen volgde, daar diep onder de grond. Hij hoorde het water onder rioolroosters grommen. Hij hoorde het in de straatgoten sluipen als honderden slangen.
- Hij gaat ons nooit loslaten, beefde Spijker, nooit.
(…)
Als u, beste lezer, door de oude straten van Gent dwaalt, waag u dan niet te dicht bij het water en hoedt u voor elke vreemde rimpel. Want diep in de slijmerige grachten van de stad, waar zelfs de ratten de oevers mijden en elke vis zich in een eindeloze nacht waant, huist een monster. Zijn naam is Gerard, gewezen burggraaf van de stad, bijgenaamd ‘de duivel’. Hij leeft eeuwig.
Uit:
Jean-Claude Van Rijckeghem en Pat Van Beirs: Duivelsoog  (2002), p. 64 ; 73


Vind dit boek in de bibliotheek Gent