terug naar index
Bloomsbury

Maanden en maanden verstreken, en haast per toeval vernam ik dat Annabel afgestudeerd was en haar vroegere Ashley-boudoir had verlaten om, in de omgeving van het Gentse stadspark, een etage van een Bloomsburyachtig huis af te huren. Mijn informant noteerde het adres op een bierviltje, maar ik haalde ongeïnteresseerd mijn schouders op. Al die wijven: ze konden voor mijn part allemaal de boom in. Ik had genoeg aan mijn zoon. Op een ochtend, toen Mendel al naar school vertrokken was, werd er op de voordeur geklopt en overhandigde postbode Gilbert mij een onvoldoende gefrankeerd pak: Annabels verhandeling, zo bleek, voorgelegd aan de faculteit letteren en wijsbegeerte, voor het verkrijgen van de graad van licentiate. The Truth of Mrs Dalloway.
(…)


Ik zou Annabel niet eerder terugzien dan op de presentatie van voormeld brievenboek. We schrijven dan Gent, oktober 1990.
(…)


"En, hoe staat het met jóúw schrijverij?" informeerde ik. Was ze nu al aan haar boek begonnen?
"Geen tijd. Geen tijd, broertje," haastte ze zich te zeggen.
Trouwens, ze had nu al andere plannen. O ja? Dewelke? Filmplannen, broertje. Ze stak een nieuwe sigaret op. Ja, ze zou binnenkort naar Brussel verhuizen, want dáár gebeurde het. Gent was te klein voor haar. Tja.
(…)


Nooit meer verliefd worden. En al zeker niet op een studente, zo had ik ooit gezworen. Tja, de mens wikt, maar God beschikt. Een avond waarop ik blijkbaar niets beters te doen had, bezocht ik Annabel op het opgegeven adres en struikelde mij haast een gebroken nek over een batterij lege flessen, overvolle asbakken, vieze wijnglazen, en over een kat die schichtig onder het duidelijk al in geen dagen opgemaakte bed wegvluchtte. Zo, en hier had ze dus al die tijd gewoond. Ik keek eens rond. Stapels kranten, tijdschriften, boeken. Vuile vaat tot op de grond. Stof. Filmposters. Ik herkende voorwaar de buste van Beethoven en een paar van mijn boeken die ik haar indertijd uitgeleend had. Annabel maakte snel een stoel vrij zodat ik kon gaan zitten. Zonder iets te vragen stak ik een sigaret op. "En?" vroeg ik. Ach broertje. En dat het haar maar zozo ging. Met de Palestijnse Spion was het al lang uit. "Maar kijk," vervolgde ze, en ze overhandigde mij nerveus een brief. "Van een regisseur," voegde ze eraan toe.
(…)


Ik vond dat ze maar moest toehappen. Dat ze haar Gentse puingruwel maar moest verlaten en ja, dan maar bij haar Brusselse aanbidder intrekken. Ik had net niet genoeg lef om haar mijn boeken terug te vragen. Maar wat deed het er allemaal nog toe? Over Keats en Shelley zouden we toch nooit meer praten: nu al werd het gesprek doorschoten met woorden als off screen, tournages, takes, shots… Ik voelde me melancholiek worden en kreeg het eensklaps erg benauwd. Er was welgeteld één raam dat open kon en dat uitzicht bood op een compleet verwaarloosde, tussen met klimop begroeide muren wegzinkende tuin. Na de kattebakstank in de kamer deed de frisse lucht mij goed. Ik ademde diep in. In de verte hoorde ik een trein voorbijdenderen. Annabel stond naast mij. Ik kon haar aanraken. Strelen. Troosten zelfs.

Uit:
Eriek Verpale, in: Luuk Gruwez en Eriek Verpale: Onder vier ogen : Siamees dagboek (1992), p. 52-55



Vind dit boek in de bibliotheek Gent