terug naar index
Aan de Schelde

Het kind is tien jaar, wanneer het voor het eerst deze paniek ervaart: dat dingen vastgelegd moeten worden om het absurde mekanisme van ontstaan en vergeten enigszins richting te geven. De verzamelwoede ontstaat: de obsessie om kleine, onvatbare maar schokkende ervaringen vast te pinnen. Op een dag, bij de rivier zittend, schiet het als een inzichtssprong door hem heen. Het is zomer, en vakantie. Hij leeft van dag tot dag; de sprong van schelp naar grashalm en omgekeerd. Prehistorie drukt zich samen in de eerste angsten. Breinreptielen, nog nat van vruchtwater, kruipen het land van zijn hersens in. Het hindert aanvankelijk de spontaniteit van de beweging niet. Hij springt langs de rivier op ongelijke stenen, langs de slikken en het riet. Alles speelt zich af tussen de op- en neergang van een vreemde caravanserai: schelpen komen ’s ochtends de brede bocht tussen de bossen en de weilanden in draaien, halfgrote aken met vreemde namen. Het water kolkt tussen de stenen en in de kleigrotten in de oever. Zij liggen hoog, en varen snel. In de late namiddag, in tegenovergestelde richting, wroeten moeizaam en diepliggend de overvolle aken uit zijn gezichtsveld weg, tuffend, stampend, kleine wolkjes blauwe rook in kringen door een rond gat aan de achtersteven, een kleine vlag boven de kajuit: rood, met een wit vierkant binnenin. Een straal water langs de zijkant. Op het dek: een kinderpark, een emmer, touw, wasgoed, en kleinere dingen die hij niet helemaal kan onderscheiden. Achter het roer een man, een vrouw soms. Een zeer gewoon, dagelijks leven dat nergens verband hield met het zijne maar er toch vlak langs bewoog, dat altijd bewoog tussen de oevers en altijd wisselende uitzichten door de ramen had.

Later hoorde hij verhalen van de enkele schippers, die op hoge ouderdom in de buurt kwamen wonen en hele dagen, zittend op meerpalen tussen het gras en voortdurend tabak pruimend, vertelden: hoe hun dochters door een kapitein in wit pak het hof gemaakt werden, en hoe, als ze jaren op hem bleven wachten, hij nooit terug kwam en zij hun kind verzopen op een stille plek. De volgende dag gooide iemand een emmer uit langs de romp en trok een kinderlijkje boven. Vereenvoudigen alle legendes de angst tot een tastbaar voorwerp?
Hij zat een zomer lang bij de rivier, leefde met de ademhaling van eb en vloed en las de namen op de boeg, tot hij op een dag in paniek raakte omdat die namen weggleden en misschien nooit terugkwamen. Hij rende het huis in, nam het schriftje met blinkend zwarte kaft uit de lade, en tekende sedert die dag de namen op. De zomer werd een uitputtende aaneenschakeling van hoop en angst. Hij zat onzichtbaar in het hoge, zinderende gras, van de dijk en zijn wandelaars afgesloten, vergat de verrukking van kleigrotten en wapens van riet. Hij leerde de zeer bewuste plaatsing van het woord aanvoelen, en de vreemde verruiming die namen in zich kunnen dragen: dat ene woord op de boeg veranderde het hele schip in een halfonbegrepen wonder. Het schriftje kreeg een vaste plaats in de van de zomer vervulde veranda, waar zijn moeder wachtte. Zij reikte het schriftje aan, knipogend, en met de gekende woorden. Ze toonde twee lange spitse vingers met op één ervan de vingerhoed, steevast. In de tuin stond de zomermorgen in dringende hevigheid in alle bloesems mooi te zijn. De rust van een kind steunt op de notie van wereldgelijktijdigheid.

Alles viel de naamloosheid ten prooi en hij leeft zeer ver van het water nu. In het niet langer door kinderstemmen vervulde huis schreit nu vaak de moeder als ultieme repliek tegen een versnelling die zij niet heeft aangekund. Hij komt als pijnlijk vreemd het huis binnen, en weet dat alles in zijn uit zelfverdediging gekoesterde verbeelding hevig is gebleven. Hij gaat de trappen op, kijkt waar hij sliep. De laden zijn leeg, het schriftje verdwenen. Het uitzicht uit het venster is bijna onherkenbaar en verminkt. De rivier slijkt dicht en stinkt. Wat vroeger groot leek, is verdwenen. Niets is objektief waarneembaar. Het kamertje, waar een hem onvergankelijk lijkende grootvader, die plots ontstellend oud is geworden, dag aan dag uren schildert bij het raam, is nog een oase. De wrok om gemiste kansen valt even weg. Olieverf raakt aan huid en houdt aftakeling even tegen. Daar blaast hij door het dunne stalen buisje alle vervloeide schaduwen vast. Mistverstand! Schwärmt nog met Titiaan. Moet met een vergrootglas schilderen omdat de blindheid dreigt. Monden worden vlekken, gezichten vale rapen. Hij visualiseert zijn aftakeling perfekt. Het wordt nog modern, denkt de kleinzoon grimmig, voelt dan hoe een golf van warmte voor de oude door hem gaat. Overal staan tekeningen opgesteld, door elkaar gegooid, van de ezel afgevallen na voltooiing. Een portret van Schubert. Broederziel, vermoedelijk, maar gespaard van ouderdom en fossilisering. Zwak coloriet. Sentiment wordt voelbaar en maakt de kleine verbetenheid ontroerend om zien. Hij is voortdurend optimistisch, al verkalken zijn nagels en groeien zijn witte wenkbrauwen in zijn ogen, sneller dan hij ze kan knippen. ‘Dürer’ zeg ik plagend. ‘Neen’, zegt hij kortaf.

--------------------------------------------------------------------------------

© Stefan Hertmans, 2005

Uit:
Stefan Hertmans: Ruimte (1981), p. 24-26


Vind dit boek in de bibliotheek Gent