Zoo stoot het Steen der Graven langs de Lieve, / symbool van leed en nooit verstorven klacht, / vooraan op ’t plein (...) / Een huizenrei van donkre weelde en pracht.

Adolf Herckenrath (1947)

DE GENTSCHE VERHUIZING

Terug naar index

De Gentsche verhuizing

STEMM.: Van Margot of Ronde de la corde sensible.

Dat ik de stad mocht reeglen naar mijn wille,
Gij zoudt wat veel veranderingen zien.
‘k Ga u mijn plan eens zeggen in den stille,
En ‘k hoop dat gij uwe aandacht mij zult bien.

‘k Zou elken stiel naar zijne strate schikken
En ieder ambt kreeg zijne plaats en wijk,
Ge moet nog voor de moeilijkheid niet schrikken,
Hoort, luistert wel! mijn plan is heel pratijk.

Sint-Pietersplein kreeg alle de poortieren,
De Vrouwestraat de mans die loopen gaan.
Wanneer hun vrouw luidop begint te tieren,
En die maar staan, waar dat de bessems staan.

De koperslagers op de Ketelvest,
De charlatans in de Komediestraat,
De Zonnestraat waar’ voor de luiaards beste
En ‘k gaf den Reep aan die uit ’t luiden gaat.

Bij ’t groot kanon leg ik al ons soldaten,
En in de Hel die diefte doen of moord,
De Papegaaistraat krijgt al de advokaten,
’t Jong vrouwvolk zend ik aan de Zottepoort.

In de Twaalfkamerstraat leg ik de sukkers,
Die, zonder kamer dwalen in de stad,
De Galgenberg is voor de volksverdrukkers,
Voor de Engelschmans heb ik het Englandgat.

En al die houdt van lekkre, vreemde wijnen,
Die leg ik in de Zwarte-Zusterstraat,
In Onderbergen al die heimlijk mijnen
Om eenen post te krijgen in de Staat.

De Borgstraat is voor die den poef niet krijgen,
De Peperstraat is voor de kruideniers,
’t Begijnhof is voor hen die kunnen zwijgen,
De Geldmunt is voor al de renteniers.

‘k Bestem ’t Serpentstraatje voor kaffé wijven.
De Kammestraat voor al de perrukiers,
De houtkoopmans moet ik ter Houtlei drijven,
En in de Brandstraat heel het korps pompiers.

De Pekelharing waar’ voor drinkebroeders,
De Langemunt voor al die neerstig werkt,
De Zuivelsteeg waar’ voor de brave moeders,
De Petrus-boel op Kalf- en Beestenmerkt.

De Schuurkenstraat is voor de bessemwijven.
Den Krommen-Elboog geef ik aan journals,
Die als iets recht is, krom het durven schrijven,
En als iets waar is, schreeuwen: het is valsch.

De Steenstraat is gereed voor de kasseiers,
Schouwvagers valt Schouwvagerstraat ten deel,
Op Lieve en Minnemeersch leg ik de vrijers,
En de arme menschen allen in ’t Kasteel.

In ’t Wolvenstraatjen al de woekeraren,
In ’t Bessemstraatjen elke booze vrouw,
De meiskens die helaas! voor ’t huwelijksparen,
Bedrogen zijn, in ’t straatje van Berouw.

‘k Zou in de Veldstraat al de boeren leggen,
Die krielen in ons goede stad van Gent,
In ’t Hoorenstraatjen,ò ‘k en durf niet zeggen
Aan wie ik daar zou geven logement.

De Paddenhoek is voor de schelmen ’t beste,
Wier valsche mond niets uitbraakt dan fenijn,
En ik gaf zeker de eene of andre Veste
Aan de arme broers die zonder veste zijn.

Zoo schik ik Gent – Maar daar komt mij te binnen,
Gij hebt geen plaats, ò schrijvers in ons taal!
Dewijl wij toch zooveel miljoenen winnen,
Houd ik voor ons de straat van ’t Hospitaal.

Dat ik de stad mogt reeglen naar mijn wille,
Ziedaar in ’t kort wat iedereen zou zien,
Studeert nu eens mijn plannen in den stille
En kan ’t niet zijn en laat het niet geschiên.

Vind dit boek in de bibliotheek Gent

Interne links

[Auteurs] Destanberg, Napoleon