Zoo stoot het Steen der Graven langs de Lieve, / symbool van leed en nooit verstorven klacht, / vooraan op ’t plein (...) / Een huizenrei van donkre weelde en pracht.

Adolf Herckenrath (1947)

DE FAUN (TIJDSCHRIFT)

Terug naar index

De Faun (tijdschrift)

Ik kan niet achterhalen hoe ik aan een abonnement kwam op een nieuw, Vlaams letterkundig blad, De Faun, dat niet alleen de nieuwe, Vlaamse letterkunde besprak, maar ook Franse literatuur, toneel, film en muziek. Kwam het van de kant van Jenny en Julienne? Werd er op school publiciteit voor gemaakt? De Faun was een initiatief van enkele jonge, Gentse auteurs geïnspireerd door Paul Rogghé, de leraar geschiedenis die in 1945 Harteel was opgevolgd als studieprefect. Jenny had in de hoogste klassen les van hem gehad en bewonderde zijn schitterende manier van lesgeven. Hij had getracht haar te overhalen geschiedenis te gaan studeren maar, zoals ik eerder schreef, stonden de oorlogsomstandigheden in de weg.

Paul Rogghé was in 1940, net als Daan Boens en Johan Daisne, zowat een afgod in de Gentse literaire kringen. Hij was erevoorzitter van de Gentse literaire studentenkring die samenkwam in zaal Pan aan de Korte Meir, een zaal die ook gebruikt werd als vergaderlokaal van de studenten van de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten (KASKJ). Enkele leerlingen van het lyceum waren lid van de studentenkring, zals Dora Mahy, een klasgenote van Jenny en Annie Lannoo. De twee verenigingen hadden samen het Jong Gents Kultuurverbond (JGKV) opgericht. Dora en Annie namen op aandringen van Rogghé deel aan een tentoonstelling van jonge talenten. De activiteiten van het JGKV vonden geen genade in de ogen van de Duitse verantwoordelijken voor cultuurbeleid, dr. Pesch. Daarop vergaderden de jonge talenten die zich “De Faunen” noemden, gedurende vier jaar in het huis van de Rogghés aan de Kasteellaan dat zij “Quai des brumes” noemden. Paul Van Keymolen [Red.: Keymeulen?], André Duflou, Pliet Van Lishout, Adelbert Van de Walle werden vervoegd door Mariën, Emile Parez, Annie Lannoo, André Minne en een andere studente van het lyceum, Suzanne De Jonghe. Mevrouw Rogghé werkte mee aan De Faun onder het pseudoniem D. Van Loon, Emiel [= Emmanuel] Popo deed de muziekrecensies.

In het proefnummer van De Faun stond dat het blad een onafhankelijk en onpartijdig cultuurbeleid voor jongeren zou voeren; het zou een zinnebeeld zijn van vrijheid, vrij zijn en vrije meningsuiting. Het vermeed ieder contact met de pro-Duitse literatoren, verscheen halfmaandelijks en had Emile Parez als secretaris. Het eerste nummer verscheen op 5 januari 1945 met een tekening van Oscar Bonneville op de omslag. Parez dook onder in 1943 toen hij, nauwelijks afgestudeerd aan de Middelbare Normaalschool te Gent, werd opgeëist om te gaan werken in de Duitse munitiefabrieken. Hij verschool zich in een huis aan de Palinghuizen. Ook Van Lishout ging ondergronds begin 1944. Dora Mahy verdween om een andere reden: zij werd depressief en bekeerde zich tot het katholieke geloof.
In de boekbesprekingen kwamen onder meer De voorstad groeit van Louis Paul Boon, Don Juan en de laatste nimf van Hubert Lampo, Het hart en de klok van Piet Van Aken, De trap van steen en wolken van Johan Daisne aan bod. Er kwam een postuum eerbetoon aan de jonge auteur Kamiel Van Baelen die aan zijn einde kwam in een concentratiekamp. Daisnes magisch-realisme ging mij toen te hoog. Ik heb hem pas veel later opnieuw ontdekt via zijn zeer toegankelijke Hoe schoon was mijn school en Lago Maggiore, toen ik geïnteresseerd raakte in de geschiedenis van de groep Reiner Leven.
De recensie van Rogghés veelbesproken Anna Golochin, de vrouw van een nacht kreeg heel wat kritiek van de moraalridders. Hoe vooruitstrevend De Faunen ook waren, ze gebruikten in de besprekingen van werken waarin seks uitdrukkelijk aan bod kwam nog niet de expliciete termen van de verdedigers van seksuele vrijheid van de jaren zeventig. Les amitiés particulaires van Roger Peyrefitte, dat behoorde tot het beste van de Franse literaire productie, ging over het “gesluierde leven in een bisschoppelijk college”, was ”een schrijnende aanklacht van opvoedingssystemen”. De “laison” met de kleine Alexandre was “pervers en cynisch”. Toen de Gentenaars hun horizon wilden verbreden naar Antwerpen en Nederland toe, rees er na de inrichting van “de Faundagen” in Antwerpen een conflict tussen Antwerpen en Gent met Paul van Keymeulen als drijvende kracht. Het tijdschrift draaide op een 200-tal abonnees, boekhandelaar Lelubre in de Dampoortstraat nam de uitgave over van Snoeck. In januari 1946 was het gedaan met de Gentse De Faun. De Antwerpenaars hielden het nog vol tot en met autustus 1946. De meeste Faunen werden opgeslorpt door het dagelijkse leven, hoewel sommigen bezig bleven met het verspreiden van literatuur en kunst.

Vind dit boek in de bibliotheek Gent

Interne links

[Auteurs] De Weerdt, Denise