Rederijkerskamers

(15de - 17de eeuw)

De rederijkerskamers waren gilden of broederschappen van leken die zich toelegden op toneel en lyriek. De belangrijkste literaire genres die ze beoefenden waren de spelen van zinne (allegorische spelen, waarin begrippen als de deugd, de zonde of de jeugd werden uitgebeeld), de esbattementen (komische spelen) en de refreinen (gedichten in strofen).
De leden van de rederijkerskamers kwamen samen op besloten vergaderingen, waar ze toneelstukken repeteerden en refreinen voordroegen maar ook discussieerden over actuele politieke en religieuze thema’s. Daarnaast traden ze ook geregeld op in de publieke sfeer: ze verzorgden toneelopvoeringen en tableaux vivants ter gelegenheid van markt- en feestdagen, ommegangen, blijde intreden etc. Zodoende speelden de rederijkerskamers een ongemeen belangrijke rol in de stedelijke cultuur van de vijftiende en zestiende eeuw. In de zeventiende eeuw verminderde hun publieke rol.  

15de eeuw 

De eerste rederijkersgezelschappen werden opgericht in de eerste helft van de vijftiende eeuw. We kunnen De Heilige Geest in Brugge, die naar alle waarschijnlijkheid reeds in 1428 of 1429 werd gesticht, beschouwen als de oudste volwaardige rederijkerskamer. De echte doorbraak van de vroege rederijkerscultuur dienen we in de jaren 1440 te situeren.
In 1448 werden in Gent de statuten van De Fonteine door het stadsbestuur goedgekeurd. Dat is meteen de oudste institutionele tekst voor een rederijkerskamer. Hij geeft een bijzonder goed beeld van zowel de religieuze als de literaire taakopvatting van de vroege rederijkers.
De leden van De Fonteine legden zich in groepsverband toe op het beoefenen van het genre van de refreinen: om de drie weken werd op zondagmiddag een dichtwedstrijd georganiseerd. Daarnaast verzorgde deze kamer toneelopvoeringen in – en occasioneel ook buiten – de stad. De devotie aan de patroonheilige en de bijbehorende religieuze cultus kenmerkten de activiteiten van het gezelschap in belangrijke mate.  

Vrij snel na de oprichting van De Fonteine ontstonden in Gent nieuwe rederijkerskamers: Sint-Barbara (vóór 1458), Sint-Agnete (1469) en Mariën Theeren (1478). De Fonteine voelde zich hierdoor enigszins bedreigd in haar positie: in 1476 slaagde ze erin van de Bourgondische hertog Karel de Stoute een privilege te verkrijgen waardoor ze mocht optreden in de vorstelijke kleuren en voorrang genoot op de andere Gentse toneelgezelschappen. De Fonteine hengelde dus uitdrukkelijk naar vorstelijke patronage.
Na de dood van hertogin Maria van Bourgondië (1482) raakte de stad echter verzeild in een jarenlange burgeroorlog en in een opstand tegen Maximiliaan van Oostenrijk, vader en voogd van de minderjarige hertog Filips de Schone. De rederijkerskamers werden daarbij door de stedelijke overheid ingezet om in en buiten de stad propaganda te maken voor de Gentse zaak, wat uiteraard een doorn in het oog van Maximiliaan was. Dat is een van de redenen waarom, na de opstand, de soevereine vorstelijke hoofdkamer De Balsemblomme (in 1493 opgericht in Mechelen) in 1505 door de vorsten naar Gent werd overgebracht (zie ook het lemma over De Balsemblomme). De Gentse rederijkerskamers, geruggensteund door het stadsbestuur, zetten alles op alles om de vorstelijke literaire instelling zoveel mogelijk te dwarsbomen. 

16de eeuw 

In de eerste helft van de zestiende eeuw floreerde de Gentse rederijkerscultuur. De vier kamers haalden de onderlinge banden aan; De Fonteine wist ook buiten Gent een geprivilegieerde positie uit te bouwen als hoofdkamer in Vlaanderen.
De rederijkerskamers stonden niet enkel in voor een lokale literaire praktijk. Door interlokale competities te organiseren droegen ze bij tot de uitwisseling van stof, genres en ideeën tussen rederijkers uit verschillende lokale gemeenschappen en meer algemeen tot het smeden van hechtere interstedelijke relaties.
Gent wilde haar reputatie als “hoofdplaats” van de rederijkerscultuur benadrukken door het organiseren van een grote wedstrijd. Daarom zette De Fonteine in 1539, met steun van het stadsbestuur, een grote toneel- en refreinwedstrijd op het getouw waaraan negentien gezelschappen uit Vlaanderen en Brabant deelnamen.
De wedstrijd in 1539 werd echter veeleer berucht dan beroemd. In de eerste plaats gaven verschillende van de opgevoerde “spelen van zinne” blijk van een gistende religieuze heterodoxie (aandacht voor uiteenlopende christelijke leerstellingen, zoals de rooms-katholieke maar ook de lutherse en de doperse) onder de rederijkers. Vervolgens brak kort na de wedstrijd een opstand uit tegen Karel V. En tenslotte nam de overheid vooral aanstoot aan het feit dat de opgevoerde spelen zeer spoedig na het tornooi  in een gedrukte bundel verschenen, bij de bekende Gentse typograaf Joos Lambrecht. Door de combinatie van beide, moeilijk te controleren media – toneel en drukpers –  konden immers grote groepen van de Nederlandse samenleving in aanraking komen met nieuwgezinde ideeën. [Over dit beruchte tornooi van 1539: zie ook het uitgebreide lemma van Johan Decavele, in de rubriek “Evenementen”].

Ondanks een verscherpte censuur doorstonden De Fonteine en de andere Gentse kamers het debacle van de wedstrijd in 1539 zonder al teveel kleerscheuren. Ze gingen gewoon door met hun lokale activiteiten en verschenen occasioneel op wedstrijden buiten de stad. Toch verloor de Gentse rederijkerij in de tweede helft van de zestiende eeuw veel van haar elan. Financiële moeilijkheden hebben hierbij zeker een rol gespeeld. Na 1560 plooiden De Fonteine, Sint-Barbara, Sint-Agnete en Mariën Theeren zich terug op een lokale literaire sociabiliteit (gezelligheid); ze vertoonden zich niet meer op wedstrijden buiten de stad.
De Balsemblomme verscheen wel weer op het toneel: het gezelschap wilde in 1561 zelfs een grote refreinwedstrijd organiseren. Dat werd echter tegengewerkt door het Gentse stadsbestuur die de wedstrijd als een potentiële haard van ketterij bestempelde. 

Het is moeilijk om precies in te schatten in welke mate het Gentse rederijkersmilieu onder invloed stond van de heterodoxe opvattingen, uiteenlopende leerstellingen, die in de hogere Gentse intellectuele kringen goed gerecipieerd, ontvangen werden. Er zijn voorbeelden van Gentse rederijkers die voor het radicale calvinisme kozen, zoals Jan Onghena, lid van Mariën Theeren, die in 1566 samen met zijn broer Lieven een hoofdrol speelde in de Gentse Beeldenstorm. Anderen, zoals Marcus van Vaernewijck, eveneens lid van Mariën Theeren, bleven trouw aan de katholieke religie. In tegenstelling tot steden als Brussel en Antwerpen zijn er dan ook geen aanwijzingen dat de Gentse rederijkers massaal overgingen naar het calvinisme of het lutheranisme. Toch besliste het Gentse stadsbestuur na de Beeldenstorm, de subsidies aan de rederijkerskamers te schrappen. Daardoor stonden na 1566 de activiteiten op een nog lager pitje.  

Een ommekeer kwam er tijdens de Calvinistische Republiek (1577-1584) toen de calvinistische leiders de kamers engageerden voor hun politieke en religieuze propaganda. In het bijzonder de Gentse literator Lucas d’Heere (waarschijnlijk zelf lid van De Balsemblomme) deed een beroep op de kamers om tableaux vivants te vertonen tijdens de politiek beladen intreden van Willem van Oranje (1577) en van de nieuwe landsheer, François de Valois, hertog van Anjou (1582). 

17de eeuw 

Na de Val van Antwerpen (1585) stonden de centrale en religieuze overheden bijzonder weigerachtig tegenover de hervatting van de rederijkersactiviteiten. Dat veranderde onder het bewind van de Aartshertogen Albrecht en Isabella (1598-1621) die de herleving van de rederijkerscultuur stimuleerden, weliswaar onder voorwaarde van een scherpe religieuze censuur. De Gentse kamers (in het bijzonder De Fonteine, maar ook Sint-Agnete en Sint-Barbara) profileerden zich opnieuw, ook buiten de stad. Dat blijkt echter slechts van korte duur te zijn geweest. De Balsemblomme hield wellicht al in 1585 op te bestaan. Mariën Theeren en Sint-Barbara evolueerden in de loop van de zeventiende eeuw naar louter religieuze broederschappen. Over Sint-Agnete en De Fonteine na 1620 is nauwelijks iets geweten.
Pas in het begin van de achttiende eeuw zou de Gentse rederijkerscultuur opnieuw opleven.  

[Anne-Laure van Bruaene]

Over de rederijkerskamers: