Literaire prijzen in Gent

Het fenomeen van literaire wedstrijden, d.i. het organiseren van een competitie onder dichters, proza- en toneelschrijvers, en het bekronen van de beste deelnemer(s), is nagenoeg zo oud als de mensheid. Denk maar aan de olympische spelen in het oude Athene, waar de ars rhetorica een discipline was met eigen laurea.
Dichter bij ons, in de Middeleeuwen, werden aansluitend bij de toneeltornooien geregeld dichtwedstrijden ingericht waaraan soms riante prijzen verbonden waren. Een gekend, berucht Gents voorbeeld daarvan waren de rederijkersspelen van 1539 die gepaard gingen met (ook) refreinwedstrijden  

Het hierna volgend beknopt overzicht van literaire prijzen in Gent begint echter vanaf de 19de eeuw, al doen de overzichten van Frans de Potter en J. Huyghebaert (repertoria van wedstrijden vanaf het prille begin van de 19de eeuw) vermoeden dat voordien ook geregeld dergelijke wedstrijden werden georganiseerd in onze gewesten, allicht ook in Gent.  


19de eeuw

Bij het begin van de 19de eeuw werden literaire wedstrijden vooral ingericht door rederijkerskamers en door taal- en letterlievende verenigingen allerlei. Zij organiseerden geregeld zogenaamde “prijskaarten”, “uitgalmingswedstrijden” of “wedstrijden voor uiterlijke welsprekendheid”. En net als in de Middeleeuwen (voor de “spelen van sinne”) kregen de deelnemers meestal de opdracht, een voorgeschreven thema te behandelen in poëzie, als toneelstuk of (veel zeldzamer) in proza of essayistisch. Vaak werden er ook zgn. “kamervragen” opgelegd, waarvoor men ter plaatse een tekst moest schrijven. De bedoeling van deze wedstrijden was zonder twijfel het stimuleren van de Nederlandse literatuur in Vlaanderen. Met de opgelegde thema’s wilde men de Vlaamse geschiedschrijving bevorderen en een literatuur tot stand brengen die bij het grote publiek Vlaamse trots zou aankweken maar ook deugdzaamheid, vlijt en algemene moraliteit. De prijsuitreikingen, waarbij de laureaten hun bekroond stuk moesten voordragen (de prijzen voor afwezige auteurs werden niet zelden “verbeurd verklaard”), waren meestal feestelijke orgelpunten, soms door honderden enthousiastelingen bijgewoond. 

De literaire betekenis van deze wedstrijden mag beslist niet worden overschat. “Het meeste succes”, schreef Frans de Potter, was weggelegd “voor gekke apostrophen doorspekt met een paar dozijn namen”, zodat het “geleerd klonk” en “een heel poëtische vlucht nam. Wie daarmee het meest wist te pronken en te ronken, mocht viktorie kleppen”. Toch mag men de draagwijdte van deze wedstrijden ook niet onderschatten: voor velen was vooral de prijsuitreiking het enige contact dat zij hadden met de literatuur, hoe bescheiden en gekunsteld die ook was. 

Gentse auteurs die uitblonken in dit soort literaire-kermiswedstrijden waren vooral Prudens van Duyse, Hippoliet van Peene en Pieter Geiregat. Als talentrijke improvisator die aan ontelbare wedstrijden deelnam, moet Van Duyse er een karrenvracht gouden en zilveren medailles aan hebben overgehouden. Heel wat van zijn trofeeën worden bewaard in de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. 

De hele 19de eeuw door waren het in Gent vooral particuliere instanties die wedstrijden inrichtten, aanvankelijk vooral de “moderne” rederijkerskamers (bv. De Fonteinisten) evenals taal- en letterkundige maatschappijen en genootschappen zoals Broedermin en Taelyver, De Koninklijke Maatschappij van Schoone (of Fraye) Kunsten en Letteren, De Tael is Gans het Volk, Het Vlaemsch Gezelschap maar ook de Gazette van Gent.  

In de tweede helft van de 19de eeuw deemsterde de belangstelling van genoemde initiatiefnemers weg. De fakkel werd overgenomen door instellingen als het Vlaamsch Verbond, door culturele verenigingen alerlei (het Willemsfonds, het Davidsfonds, het Van Crombrugghe’s Genootschap, de Multatulikring) en door dagbladen of tijdschriften als het Nederlandsch Museum en (nog steeds) de Gazette van Gent

De in 1886 opgerichte en in Gent gevestigde Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde (KVATL) startte een jaar na haar oprichting al met een reeks jaarlijkse academische prijsvragen voor taal- en letterkunde, alle met opgelegd thema. Die reeks loopt vandaag nog altijd door.     

Naar aanleiding van de opening van de Koninklijke Nederlandse Schouwburg richtte de Stad Gent in 1898 zélf een eenmalige maar meervoudige wedstrijd voor toneelwerken in. Isidoor Albrecht werd laureaat voor het “hoog blijspel” of toneelspel met zijn Gebroken harten; August Heyndrickx (voor Triconie en C°) en Edmond Roeland (voor Zijn laatste wil) kregen ex aequo de prijs voor het kluchtspel. Buiten wedstrijd werden Gilles Désiré en Jozef Minnaert gelauwerd voor hun Siddharta of De ster van Indië (waarmee zij nadien ook de driejaarlijkse staatsprijs voor Vlaamse toneelletterkunde zouden behalen).   

 

20ste eeuw

 

Op enkele eenmalige initiatieven van de Snellaertkring en de tijdschriften De Vlaamsche Strijd en PAN na, liet de Gentse particuliere sector het in de eerste helft van de 20ste eeuw inzake prijzen afweten. Wel startte de KVATL (vanaf 1972 Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, KANTL) in 1912 met een reeks zogenaamde Fondsprijzen waarvan het gamma geleidelijk aan werd uitgebreid, tot de huidige twaalf.   

Zoals elders in Vlaanderen was ook in Gent na de Tweede Wereldoorlog het hek in prijzenland van de dam. Vanaf 1946 richtte Gent als eerste Vlaamse stad een eigen periodieke (jaarlijkse) literaire wedstrijd in. De Arteveldestad heeft daarmee de oudste nog lopende gemeentelijke literaire onderscheiding, zij het dat de formule in 1993 werd gewijzigd en dat de huidige cultuurprijs nog maar om de vijf jaar is weggelegd voor de literatuur. 

In 1949 startte het provinciebestuur van Oost-Vlaanderen een –­ ook thans nog doorlopende – jaarlijkse prijs, afwisselend bestemd voor verschillende literaire genres. 

Succesrijk zou het initiatief zijn dat vanaf 1982 door enkele Gentse leraars (Jos Brabants en Guido de Baecke) en de Stedelijke Openbare Bibliotheek werd genomen om een “Kinder- en Jeugdjury” in te stellen. Het initiatief werd kort daarna overgenomen in heel Vlaanderen terwijl het ook in Nederland navolging vond. 

Ietwat bescheidener is de prijs voor het beste cursiefje (later Michel Casteelsprijs) die sedert 1993 jaarlijks door de dienst Feestelijkheden wordt ingericht tijdens de Gentse Feesten.
En tenslotte is er De Kleine Cervantes, een prijs ter bekroning van de beste jeugdboeken in verschillende leeftijdscategorieën, sedert 1999 jaarlijks georganiseerd door de stedelijke Cel Cultuur-Onderwijs (later door de Dienst Kunsten) en de Stedelijke Openbare Bibliotheek.  

Ook het Gentse particuliere front liet zich na de Tweede Wereldoorlog beslist niet onbetuigd. In tegenstelling tot de stedelijke prijzen waren de particuliere initiatieven die (in Gent en elders) als periodiek werden aangekondigd, meestal een eerder onregelmatig verloop en soms een eerder kort leven beschoren. Zo richtte het tijdschrift Yang van 1967 tot 1990 een prijs in voor alle literaire genres en van 1979 tot 1989 een poëzieprijs; het Noordstarfonds organiseerde van 1969 tot 1979 een vierjaarlijkse prijs. De Louis Paul Boonprijs (sedert 1974 ingericht door Honest Arts Movement ter bekroning van literaire maar ook andere artistieke prestaties) werd aanvankelijk jaarlijks en later onregelmatiger toegekend. 

Het aantal gelegenheidsinitiatieven in de sector van de Gentse particuliere prijzen sedert de Tweede Wereldoorlog is veelvuldig en veelzijdig. Een greep uit het “aanbod”: deze van de tijdschriften Arsenaal (1950), Antenneke (1954), Koebel (1976), Spectraal (1979, 1982 en 1985) en van toneelgroepen als de Multatulikring (1960), de Melomanen (1963), Jezus met de Balsemblomme (1967 en 1990), Gents Voorstad Teater (1970, Gentbrugge), Volkstheater Vertikaal (1970) en van het Comité “100 jaar beroepstoneel te Gent” (1971) dit laatste ter herdenking van het allereerste Vlaamse beroepsgezelschap. 

Gegevens over alle genoemde (en andere) literaire prijzen, over de aard en de laureaten ervan, vindt men in de hierna opgesomde werken.

[Frans Heymans]

Over literaire prijzen: