Gentse symbolisten

Het symbolisme was een beweging in de literatuur (maar ook in de beeldende kunst) die in de Franse literatuur ontstond naar het einde van de 19de eeuw toe, als reactie tegen het realisme. Het belangrijkste kenmerk van het symbolisme was, dat men bepaalde zielstoestanden en ideeën achter de werkelijkheid trachtte uit te drukken via allerlei symbolen zoals dromen, visioenen, en sprookjes.

Een aantal Gentse Franstalige auteurs – Georges Rodenbach, Maurice Maeterlinck, Charles van Lerberghe en Grégoire le Roy – hebben een zeer belangrijke rol gespeeld, zodanig zelfs dat overzichten van de Franstalige Belgische letteren bijna steeds beginnen met het hoogtepunt van de Gentse symbolisten. Ook in Frankrijk (zoals elders in Europa) werden zij als “groten” erkend.

Ze vormden geen groep maar zij vertegenwoordigden wel de geest van de tijd met een nieuwe thematiek en stijlinnovaties die naar de toekomst wezen. De verschillen tussen hun verwante naturen waren immers even duidelijk als de overeenkomsten maar door hun thema's en hun levensgevoel werden zij echter gevierd als de eerste moderne auteurs.

Zij waren niet – zoals vaak wordt beweerd – Franstaligen die in Vlaanderen woonden, maar wél Vlamingen die in het Frans schreven vanuit hun Vlaamse gevoeligheid en hun verleden. Hun inspiratie en hun taal verwezen naar het mysterie van de Middeleeuwen. Zij zagen en voelden de realiteit met de ingetogen blik van Memling en het talent van Bosch, Breughel en Rubens; in weerwil van de somberste dagen verheerlijkten zij de pracht van de natuur en van het alledaagse leven. Nieuw was ook, bij Charles van Lerberghe in La chanson d'Eve en bij Maeterlinck in de personages van Maleine en van Mélisande, een tot dan toe ongekende analyse van het vrouwelijk innerlijk leven.

Hun proza, hun poëzie en hun theater brachten een nieuw geluid dat zich weliswaar hulde in een verbijsterend mooie taal maar dat echo’s uitdrukte van een (toen) actueel levensgevoel van eenzaamheid, heimwee, onzekerheid en zelfs levensmoeheid. En dat bracht het intellectueel Frans publiek in verwarring. Het publiek van de Franse hoofdstad – nog verstrikt in rationalistische denkgewoonten en Cartesiaanse logica – onthaalde de kunst van de Gentenaars niettemin als een grote aanwinst. De grootmeesters van de Parijse kritiek bejubelden de Belgen: Remy de Gourmont bewonderde Emile Verhaeren (oud-leerling van het Sint-Barbaracollege te Gent); Octave Mirbeau was zo vol van luidruchtige geestdrift over Maurice Maeterlinck, (geboren Gentenaar, in hetzelfde college als Verhaeren grootgebracht) dat deze in 1911 internationaal met de Nobelprijs voor literatuur werd vereerd.  

Samen met de dichters van het in 1881 te Brussel gestichte tijdschrift La jeune Belgique, slaagden de Gentse symbolisten erin, de Parijse hegemonie te breken en van Brussel de hoofdstad van het symbolisme en van de art nouveau te maken.  

Georges Rodenbach  

De oudste Gentse symbolist was Georges Rodenbach (1855-1898). In weerwil van de titel van zijn wereldberoemde roman Bruges la morte woonde hij nooit in Brugge. Hij verzon die titel in Parijs. Het zeer persoonlijk cachet van dit proza – de melancholische stilte in het wazig decor van een huis, enkele straten en hier en daar een zicht op de stad – vindt men al in Rodenbachs eerste dichtbundels terug. Die waren vormelijk nog klassiek volgens de toenmalige Parnassiens, maar het melancholische kondigde zich al aan in titels als Les tristesses (1879 en Le règne du silence (1891). Andere titels waren symptomatisch voor de versmelting van de omgeving met de innerlijke levensatmosfeer: Le voyage dans les yeux (1893), Les  vies encloses (1896), Le miroir du ciel natal (1898).
In Bruges la morte overwogen het verdriet om een verloren vrouw en verlangens die meer tot het rijk van de droom behoorden dan tot het leven. Decor en ambiance weerspiegelden zich in de figuur van de hoofdpersoon. Of waren het Rodenbachs gewoonten, zijn afzondering en zijn gemoedstoestand die het decor creëerden? De vraag op zichzelf bewees het einde van het naturalisme.

Gentenaars naar Parijs

Onmiddellijk na zijn studies Rechten aan de Gentse universiteit bracht Rodenbach – door zijn vader gestuurd – een jaar door in de Franse hoofdstad. Hij was ziek van heimwee naar Gent maar toch werd hij de trouwe gezel van de Parijse jonge schrijvers, dichters en uitgevers. Hij vertegenwoordigde er het in 1881 te Brussel gestichte tijdschrift La jeune Belgique.
In mei 1885, opnieuw te Gent, ontmoette hij op de Kouter Charles van Lerberghe en Grégoire le Roy. Beiden hadden, net als Maeterlinck, enkele jaren na Rodenbach gestudeerd aan het Sint-Barbaracollege. Rodenbach introduceerde de drie Gentenaren te Brussel bij La Jeune Belgique. Le Roy, die inmiddels ook naar Parijs was verhuisd, bracht op zijn beurt Maeterlinck in contact met de Cercle de jeunes poètes post-Parnassiens waarvan hij – Le Roy – medestichter was. Zo stonden de Gentenaars aan de wieg van het symbolisme te Parijs.  

In hun poëzie wilden zij een levenssfeer en emoties uitdrukken, zonder die gevoelens echter te concreet te beschrijven, net als dat in de muziek gebeurt. Hun poëzie schilderde visioenen, suggereerde beelden, tekende innerlijke gebeurtenissen en psychologische dramatiek. De toon was mythisch, tragisch maar ook vaak hemels, soms zelfs paradijselijk. Het eerste thema bleef nochtans pessimistisch: het individu is totaal machteloos overgeleverd aan het lot. Daarom was de vreugde om de schoonheid en om de zuiverheid des te groter. Het tweede thema was dus lyrischer: de mens is voorbestemd om de schoonheid van het leven en de liefde te ontdekken. Het geluk werd bezongen, de zang nam een hoge vlucht, taal werd ritme, kleur, sonoriteit.  

Maeterlinck en Van Lerberghe

Met de twee vroegste stukken van Maeterlinck, La princesse Maleine (1889) en Pelléas et Mélisande (1892), én met Les Flaireurs van Van Lerberghe, braken de Gentenaars te Parijs zeer opgemerkt door op de Franse scène. Toeschouwers en kritiek waren getroffen door het voor hen vreemde karakter van deze drie stukken, zij omschreven de originaliteit ervan als “fantastisch realisme”.
In feite trachtte Maeterlinck de machteloosheid van de mens en het juk van de fatale dood te omschrijven. Met hem begon het moderne theater, de moderne symboliek, het denktheater, de afkeer van het naturalisme. Sedert de Oudheid had de held van een tragedie een ongelijke strijd geleverd tegen het noodlot of tegen de hartstocht van machtige medespelers. Niet bij Maeterlinck. Zijn uitgangspunt was dat het nutteloos is zich te weren, het lot is immers sterker dan de mens. Hij schreef voor het eerst theater van de angst. Daarbij werd Maeterlincks hoofdpersoon een vrouw, symbool van naïviteit, of liever, van ongerept bewustzijn en niet misvormd levensgevoel. De vrouw – het oorspronkelijke leven – wordt misbruikt door de bezittingsdrang van de man en gaat ten onder.  

Maeterlinck kreeg de Nobelprijs in 1911 nadat hij verscheidene toneelstukken schreef waarvan L'Oiseau bleu (1909) even bekend werd als zijn eerste successen. Hij was toen al begonnen aan zijn indrukwekkende reeks ethisch-filosofische essays (La vie des abeilles, 1901; Le trésor des humbles, 1896) die de weg tekenden naar de gelatenheid en de religie (Le grand secret, 1912), naar de astronomie (La grande féerie,1929), naar het heelal (La vie de l'espace,1928) en naar de relativiteit (La grande loi, 1933). Het grootst was Maeterlinck nochtans in zijn poëzie. Zijn dichterlijk debuut met Les serres chaudes (1889) behoort tot het mooiste en meest indringende dat ooit in Franse verzen is geschreven. Het is tegelijk hymnisch en mysterieus, contemplatief en onrustig.  

Hét meesterwerk van de Gentse symbolisten is misschien wel het onvolprezen, na een eeuw nog even actueel en fris gebleven lange gedicht La chanson d'Eve (1904) van Charles van Lerberghe (1861-1907).

[Nicole Verschoore]

Over de Gentse symbolisten: