Franstalige literatuur in Gent

De Gentenaars hebben, vanaf het prille begin van de Belgische staat, en zeker op het einde van de 19de eeuw en in het begin van de 20ste eeuw, een belangrijke rol gespeeld in de Franstalige Belgische literatuur.
In de periode die voorafging aan de Onafhankelijkheid was er slechts één enkele figuur van betekenis in de Franstalige Belgische letteren : de (grotendeels 18de-eeuwse) prins Charles Joseph de Ligne (1735-1814), geboren te Brussel, met familiebezit in Beloeil.
Vanaf de tweede figuur was de inbreng van Vlaanderen zeer belangrijk. Die tweede figuur was een Gentenaar van geboorte: Eugène Van Bemmel (1824-1898), zoon van ouders die respectievelijk in 1815 en 1818 in Gent waren komen wonen maar die na de geboorte van hun zoon naar Brussel verhuisden. Op latere leeftijd schreef  hij een liefdesroman, Dom Placide, mémoires du dernier moine de l'abbaye de Villers (1875)
De volgende generatie Franstalige Belgische auteurs had diepe wortels in Vlaanderen. Charles de Coster (1827-1879) schreef een door en door Vlaamse La légende d’Uelenspiegel (1867). Georges Eekhoud (1854-1927) was, evenals Max Elskamp (1862-1931), Antwerpenaar van geboorte. Camille Lemonnier (1844-1913) was geboren in het toen nog Vlaamse Elsene en overleed in het eveneens nog Vlaamse Ter Hulpe.
De conclusie hieruit: de Franstalige literatuur in Vlaanderen en zeker deze in Gent kan niet worden begrepen als een tijdelijk Vlaams of Gents verschijnsel uit de hoogtij van de Franstalige bourgeoisie. Het was een belangrijke inbreng van Vlaamse inspiratie die zich in het Frans heeft uitgedrukt.

De Gentse symbolisten 

Wat Gent betreft hebben de Franstalige symbolisten (zie overzicht De symbolisten) vanaf de jaren 1880 de stad en Vlaanderen wereldwijd bekend gemaakt. Zij trachtten de ideeën achter de werkelijkheid gestalte te geven door middel van symbolen. Hun theater veroverde Parijs, hun poëzie inspireerde het estheticisme van het fin-de-siècle en hun invloed maakte van Brussel  – waar de meesten van hen naartoe trokken – de hoofdstad van het symbolisme en de art nouveau.

De liefde voor Vlaanderen werd voor Verhaeren (1855-1916) de inspiratiebron van zijn extatisch lyrisme; de sfeer van Gent was achtergrond én inspiratiebron van Georges Rodenbach (1855-1898), Charles van Lerberghe (1861-1907), Grégoire le Roy (1862-1941), Maurice Maeterlinck (1862-1949) en later ook voor Franz Hellens (1881-1972). Allen waren zij internationale figuren; Maeterlinck kreeg de Nobelprijs in 1911.  

Franz Hellens 

Op de drempel van de 20ste eeuw verscheen de Gentenaar Hellens in de Franstalige Belgische letteren. Geen symbolist maar als prozaïst, dichter en publicist een voorloper van het surrealisme, werd hij de bemiddelaar tussen alle literaturen van Europa. Hij was als een van de eersten hoofdzakelijk geïnspireerd door dromen, hun oorsprong in de werkelijkheid en de wisselwerking tussen werkelijkheid en fantastiek. Zoals de symbolisten beweerde hij, niettegenstaande zijn verblijf in het buitenland, dat alles wat hij geproduceerd had wortelde in zijn Gentse ervaringen. 

Jean Ray 

De Gentenaar Jean Ray (1887-1964), tijdgenoot van Franz Hellens, kan bezwaarlijk uitsluitend tot de Franstalige literatuur gerekend omdat hij eveneens in het Nederlands heeft geschreven, onder de schuilnaam John Flanders (die hij ook gebruikte voor Franse teksten). Hij werd internationaal bekend door zijn in het Frans geschreven fantastische verhalen en romans, waarvan de bekendste, Malpertuis (1943) vertaald werd door Hubert Lampo en verfilmd door Harry Kümmel. Ray's griezelverhalen zijn voorlopers van de “science fiction”. Vijandige werelden – de onze (reële) én een fantastische – brengen "onmogelijke" situaties teweeg. Bij de symbolisten en bij Hellens sloeg de fantastiek op het innerlijk leven, in de griezelverhalen van Jean Ray stapt de lezer een fictieve wereld binnen.     

Suzanne Lilar 

De Gentse dramaturge, essayiste en schrijfster Suzanne Lilar (1901-1992) leverde een aanzienlijk deel van haar werk in de vorm van literaire essayistiek. Zij verwierf vermaardheid door de kwaliteit van haar cultuurhistorisch inzicht, haar analyse van bewustzijn en emotie, haar zoektocht naar schoonheid en liefde. In Gent geboren en getogen, waardeerde zij het Vlaams als een eeuwenoude cultuurtaal, de taal van Hadewych, Ruusbroec en Rubens. Intellectuele nieuwsgierigheid was de eigenlijke drijfveer van haar schrijverschap. Zij scheerde hoge toppen met Une Enfance gantoise (1976), over de natuur en de essentie van momenten die mystiek, liefde en schoonheid in zich verenigen.  

Andere Gentenaren 

Naast de hogervermelde belangrijkste figuren waren nog andere auteurs actief met Franstalige poëzie en proza.  

Philippe Kervyn de Volkaersbeke (1815-1881), historicus en volksvertegenwoordiger. Hij woonde een tijdlang in het gebouw waar de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letterkunde nu huist (Koningstraat). Hij schreef enkele romans, o.m. Le songe d’un antiquaire (1853), een luguber-romantische thriller over een ontmoeting in het Belfort, met de geest van Keizer Karel.  

Roger Kervyn de Marcke ten Driessche (1896-1965), Gentenaar van geboorte, later advokaat te Brussel, wordt heel vaak als Gentse humorist beschouwd met zijn Fables de Pietje Schramouille (1923), over een échte Brusselaar. De auteur vertaalde werk van Felix Timmermans en Gerard Walschap. Met Aimé Bernaerts stelde hij het standaardwerk Les noms de rues à Bruxelles (1951) samen. Als advocaat pleitte hij jarenlang kosteloos voor zijn “kennissen” uit de Marollen. 

Simone Bergmans (1892-1976) schreef met Le patrimoine secret : symphonie familiale (1947) een Gentse familiesaga; de eerste (ook beste) helft van het boek is een historisch document van het uitgesproken liberaal burgerlijk leven. Eén van haar novellen, Le Collier d'Epines (1948), werd geïllustreerd door Cécile Cauterman. Van haar sentimentele romans draagt Faligan (1950) een duidelijk Gentse stempel. Moi ce malade (1941) is een autobiografie in dagboekvorm. 

Jeanne Nowé (1894-1965) had een betere pen en zou zeker meer bekendheid hebben verworven had ze haar meeslepende roman Les Hamelinck. Chronique de Maria (1965) in even klassiek en helder Nederlands geschreven. Deze (postuum uitgegeven) voortreffelijk gedocumenteerde, sociaalkritische en psychologische familiesaga speelt zich af te Gent. Naar het einde toe zijn er enkele herhalingen die een betere uitgever zou hebben geweerd.
De vroege romans van Jeanne Nowé over verliefdheid, feminisme en de problematiek van de burgerlijke familie, bereikten niet hetzelfde niveau. Saint-Christophe en Halatte (1959) tekende met bijna Angelsaksische kracht en schrijfvaardigheid reeds karakters, verwachtingen, strijd en andere lotsbestemmingen die de Gentse Les Hamelinck aankondigden.  

In het genre van de  “magische thriller” moeten de zo goed als onbekende, schitterend koele Histoires d'ailleurs et de nulle part (1961) van Bernard Manier, schuilnaam van Robert Desprechins (1914-1975), vermeld worden. Alhoewel Jean Ray hierin het voorwoord schreef, spelen de verhalen zich niet af in Gent. Desprechins was geen Gentenaar maar leefde en werkte er wel. Decennialang speelde hij er een actieve rol als voorzitter van de Gentse Winterconcerten. Hij componeerde ook muziek. Onder zijn pseudoniem schreef hij een autobiografische roman, Le jouet mécanique (1952), een gewild koele, moderne versie van de ontwikkelingsroman.  

Pierre Bondue schreef in Gand de ma jeunesse : de la rue Saint-Sauveur à la rue Savaen (1979) mooie bladzijden over de begijnhoven. Luc Beyer de Ryke (1933-1977) was een van de laatste Franstalige Gentenaars die te Brussel volledig in het Frans carrière maakten. Achttien jaar lang, van 1961 tot 1979, presenteerde hij het journaal voor RTBf en een tijdlang zetelde hij in de Gentse gemeenteraad. In zijn autobiografie Vagabondages (1990) beschreef hij zijn vroege herinneringen aan de Gentse familiekring. 

Na Beyers de Ryke waren alle schrijvers tweetalig. Gaston Colle (1881-1946) was geen geboren Gentenaar maar voor vele generaties studenten aan de universiteit was deze in de stad wonende professor een typisch Gentse figuur. Zijn Les Eternels, Les sourires de Béatrice en  Mes alyscamps zijn schitterende voorbeelden van essayistiek over literatuur, kunst en filosofie.   

Van de talrijke Franstalige naoorlogse Gentse dichters worden Simone Kuhnen de la Coeuillerie (1905- ?) Edmond Boonen (1895-1977), Marie-Jeanne Boelens (1900-1978) en Eliane Vandamme het meest gelezen. Sedert enkele jaren schrijft ook Nicole Verschoore (1939- ) romans en novellen in het Frans. Le Maître du bourg (1994) speelt zich af in Brussel, Les Parchemins de la tour (2004) in Gent, Ename en Brussel.  

Verenigingen en tijdschriften 

In de loop van de tijd hebben talrijke verenigingen en tijdschriften het Franstalig literair leven in Gent kleur gegeven.
Onder de verenigingen citeren we vooral de Cercle littéraire français (ook Le Club of Le Club des Nobles genoemd) en de Cercle royal artistique et littéraire.
Ook het tijdschriftenleven bloeide dank zij de Gentenaars – denk aan hun inbreng in La jeune Belgique – en waren de in Gent uitgebrachte kranten en tijdschriften op literair en cultureel vlak zeer belangrijk. Zo nam Le Réveil actief deel aan de algemene bloei van de Franstalige letteren op het einde van de 19de eeuw en het begin van de 20ste eeuw. Later waren er Le Magasin, Le Drapeau, de Cahiers de la Biloque, Epîtres, L'Aube, Les Débats, de talrijke almanakken van studenten en genootschappen aan de Gentse universiteit evenals de Annales en Chroniques van de zeer actieve Franstalige kringen en sociëteiten voor schone kunsten en literatuur.
Genoemde en andere Franstalige verenigingen en tijdschriften worden elk met een eigen lemma besproken in het Lexicon van Literair Gent.

[Nicole Verschoore]

Over de Franstalige literatuur in Gent: