De Nederlandse literatuur in Gent : middeleeuwen

Er zijn maar weinig namen van middeleeuwse auteurs uit Gent bekend; nog kleiner wordt de lijst als we die beperken tot schrijvers van wie er ook teksten bewaard zijn gebleven.  

De Middelnederlandse literatuur is voor een belangrijk deel overgeleverd in handschriften die vermoedelijk afkomstig zijn uit grote stedelijke centra. Zowel de productie van boeken met reeds bestaande, oudere teksten, als het tot-stand-komen van nieuwe teksten én de ontwikkeling van nieuwe genres (toneel), kenmerken de dynamiek van de literaire stadscultuur. 

In de tweede helft van de jaren 1990 werd in de Universiteit van Leiden een onderzoek gedaan naar de literatuur in Gent vóór 1450. Gent was toen de grootste stad in de Zuidelijke Nederlanden. Het onderzoek sloeg op de periode vóór de officiële oprichting van de rederijkerskamer De Fonteine (1448); zowel primaire (teksten) als secundaire bronnen (archivalistische gegevens) werden erbij betrokken. 

Het hiernavolgend overzicht van de literatuur in Gent in de Middeleeuwen is mede gebaseerd op de resultaten van dat onderzoek.  

12de eeuw

Eén van de vroegste sporen van literatuur in Gent is het middeleeuws-Latijnse dierenepos Ysengrimus. Het werd vermoedelijk geschreven rond het midden van de 12de eeuw, door Magister Nivaridus van Gent, een Duitser die blijkbaar goed vertrouwd was met de buurt van de Sint-Pietersabdij en de Blandijnberg. Ysengrimus is een satire op de toenmalige religieuze en wereldlijke toestanden.  

13de eeuw 

Alleen door hun herkomst verdienen de dertiende-eeuwse trouvères Mathieu en Pierre de Gand in zo’n lijst te worden opgenomen, want hun Franse dichtwerk schreven zij voor literaire kringen in Arras. Willem, de auteur van het terecht vermaarde dierenepos Van den vos Reynaerde kende de streek rond Gent op zijn duimpje; om die reden wordt wel vermoed dat hij ook uit die stad afkomstig was, maar zeker weten we het niet. 

14de eeuw 

Een indruk van de literatuur in het Nederlands die in de veertiende eeuw door Gentse burgers werd gelezen bieden enkele boedelbeschrijvingen. Hoewel er maar zelden boeken worden genoemd, vormen deze documenten een bijzonder waardevolle bron voor onze kennis van het literaire leven in de stad. Doorgaans was het aantal boeken dat iemand bezat uiterst gering. Het vijftal boeken van handschoenmaker Jan de Beere, die in 1359 eenen bouke die heet Bestiaris, een Lucidaris, Jacob van Maerlants Martijn, eenen dietsche van den lantheeren en den ewangelien in vlaemsch naliet, vormde een uitzondering. Des te verwonderlijker is het immense bezit van Jan Wasselins dat in 1388 werd geïnventariseerd. De beschrijving van zijn tientallen boeken toont een voor die tijd uitzonderlijk hoog aantal literaire werken. Daaronder waren leerdichten als Jans Teestye van Jan van Boendale en van diezelfde auteur de Mellibeus, den vlaemschen doctrinael, Maerlants Eerste Martijn, een bestiaris (moralistische dierenencyclopie), de roman van Ogier van Denemarken, de roman van Seghelijn van Jeruzalem en een (ons onbekende) roman van Isenbaert. Voorts had hij tenminste vijf boeken over geneeskunde en twee over astrologie, verder kronieken, devotieboeken en spreukenverzamelingen. Het kan niet anders of deze Jan Wasselins was wijd en zijd bekend om zijn verzameling. We kunnen er rustig van uitgaan dat de inhoud van deze boeken niet alleen ter lering en vermaak van zijn eigen familie zal hebben gediend, maar dat ook anderen zo nu en dan iets ter ore is gekomen dat werd voorgelezen uit zijn collectie. 

Ten tijde van de Gentse Oorlog (1379-1385), de periode waarin Gent nagenoeg het hele graafschap Vlaanderen wist te mobiliseren voor een opstand tegen het landsheerlijk gezag, schreef Boudewijn van der Luere een allegorische sproke, De Maghet van Ghend met als thema de verzoening tussen de Lodewijk van Male, de graaf van Vlaanderen en de opstandige Vlaamse hoofdstad. Het gedicht is het vroegste zuiver politieke gedicht in het Nederlands waarin een stedelijke visie tot uitdrukking wordt gebracht. 

15de eeuw 

Schrijfbedrijf 

In de late Middeleeuwen werd literatuur in het Nederlands, ook toen de boekdrukkkunst al was uitgevonden, vrijwel alleen verspreid door middel van handschriftelijke kopiëring van teksten. In beginsel kon iedereen die in staat was te schrijven voor zichzelf een boek maken met teksten waar hij de hand op wist te leggen. Maar in de regel werd zoiets toch uitbesteed bij een professioneel schrijfbedrijfje. Deze schrijfhuisjes stonden gewoonlijk op een plek nabij een druk bezochte plaats. In Gent waren dat het Sint-Veerleplein en vooral de omgeving van het Schepenhuis. Daar bevond zich een hele rij huizen en huisjes, van steen en van hout, waar beroepskopiïsten schrijfopdrachten aannamen van klanten die zich tot hen richtten met een speciale wens. Die kon variëren van het opstellen van een koopovereenkomst tot het vervaardigen van een gebedenboek of het samenstellen van een boek met een of meer literaire teksten. 

Van één van de vroegste toneelteksten uit onze literatuur weten we dat hij afkomstig is uit het schrijfbedrijf van zo’n Gentse beroepskopiist: Geraard van Woelbosch. Hij was behalve schrijver ook boekbinder en – naar blijkt uit een kladschrift van zijn hand – ook tekstbewerker. Voor een ons onbekende opdrachtgever bewerkte hij een bestaand allegorisch spel over de strijd tussen de Winter en de Zomer. Jammer genoeg is het spel alleen fragmentarisch bewaard gebleven. Zijn kladvellen gebruikte hij omstreeks 1436 om er een boekband mee te verstevigen. 

Comburgse handschrift 

Recentelijk is vast komen te staan dat een van de grootste collecties Middelnederlandse literatuur, het uit maar liefst zes afzonderlijke boeken samengestelde Comburgse handschrift (samen goed voor bijna 700 bladzijden met twee kolommen), geschreven werd in een wereldlijk schrijfatelier in Gent. We weten daardoor dat uiteenlopende teksten als Van den vos Reynaerde, Van sente Brandane, de Roman van de Roos, verschillende werken van Jacob van Maerlant, opvoedkundige teksten als Die Bouc van Seden, een vertaling van de Disticha Catonis en Sente Bernardus Epistele tot Raymonde verkrijgbaar waren in het Gent van omstreeks 1415. Men las lange teksten als de Sidrac, een soort encyclopedische vraagbaak, de Dispitacie van Rogiere ende van Janne, een moralistische disputatie van de Ieperse chirurgijn Jan de Weert, maar ook korte, geestige en belerende gedichten. Een van de boeken in het Comburgse handschrift bevat een omvangrijke verzameling anonieme sproken, weer een ander deel excerpten uit Jan van Boendale’s Der leken spiegel. Van belang voor Gent is de lange, maar onvoltooid gebleven Rijmkroniek van Vlaanderen, die alleen uit dit handschrift bekend is. Een groot deel van de kroniek beslaat de jaren van de hierboven al genoemde Gentse Oorlog. Dit laatste deel van de tekst lijkt te zijn geschreven vanuit een Gentse, pro-Bourgondische optiek, die goed past bij de loyaliteitsomslag die volgde op de repressie van de opstand. 

Eerste stadsdichter? 

Er moet ook veel geschreven zijn dat niet tot ons is gekomen. We weten bijvoorbeeld dat er aan het begin van de vijftiende eeuw een dichter actief was binnen Gent die bij herhaling voorkomt in de stedelijke rekeningen. Zijn naam was Everaert Taybaert en hij stond in betrekking tot de destijds bekende boekhandelaar Jan de Clerc. Van zijn werk is niets bewaard gebleven. Bijzonder aan Taybaert is dat hij vanaf 1403 een ruimte huurde in het Wolhuis om er (waarschijnlijk tegen betaling) voor te lezen. Daarmee introduceerde hij een traditie van voordrachtsessies die we tot aan het einde van de vijftiende eeuw kunnen volgen. Van beroep was Taybaert waarschijnlijk schoenmaker. Uit een akte uit 1407 blijkt dat hij een winkel met inboedel kocht, waarin zich onder meer leren schoenen en leesten bevonden. In later jaren trad hij op als bode voor het stadsbestuur. In Brugge kende men hem als “Everkin den dichtere van Ghent”; hij ontving er bij menige gelegenheid een gratificatie. Als dichter heeft hij van stadswege zeker erkenning genoten, want van 1417 tot 1425 kreeg hij een jaarlijkse toelage om er een met borduursel op de mouw verfraaide mantel van te laten maken. In 1418 schonk de stadsoverheid hem een zilveren schijf, wellicht bedoeld om als insigne te dragen. Men vermoedt daarom dat hij de status van stadsdichter bezat. Wat hij schreef of voordroeg is onbekend; enkel een betaling van 12 schellingen voor een “dicht van den Sacramente” is bekend, op 28 juni 1425 aan hem verstrekt door de ontvanger van de Sint-Piertersabdij.  

Eerste “leesbibliothheek”? 

De boekhandelaar Jan de Clerc verdient hier eveneens de aandacht vanwege een bijzonder initiatief: hij kocht een verzameling boeken met voornamelijk historiografische  en epische teksten (“ystorien ende yeesten”) van een Ieperse gasthuiszuster, liet ze overbrengen naar Gent en verhuurde ze daar aan lezers (of aan kopiisten die er teksten uit wilden overschrijven) tegen een dagtarief. Daarmee creëerde hij de vroegste ons bekende leesbibliotheek in de Nederlanden. 

Tot het selecte groepje auteurs van wie er wel werk bewaard is gebleven behoort de priester Lieven Kindekin. Hij was ontvanger van de Sint-Veerlekerk en auteur van twee gedichten die hij vervaardigde voor het metselaarsgilde. Ze zijn opgenomen in hun gildeboek uit 1427. Ook Jacob de Vilt behoort tot deze groep. Hij vertaalde Boethius’ De consolatione philosophiae, dat in 1485 werd gedrukt door de Gentse drukker Arend de Keysere. 

Anoniem “kleingoed” 

En dan is er de categorie anonieme teksten. Vaak gaat het om “kleingoed”: korte versteksten die dikwijls hun betekenis ontleenden aan hun gebruik in een situatie in het dagelijks leven. Het bekende Memoriebouck van Ghendt heeft vele chronogrammen (meestal tweeregelige gedichtjes op een actuele of historische gebeurtenis waarin het jaartal in romeinse cijfers kunstig verwerkt is in de tekst) overgeleverd; in kronieken lezen we een enkele keer een straatliedje, of een politiek-geladen liedje. Misschien nog tot de vijftiende eeuw hoort een drinklied van het gilde van de vleeshouwers. Het werd genoteerd op het laatste schutblad van een register van dit gilde. Op die manier zijn er wel meer korte teksten aan de vergetelheid ontrukt: rijmspreuken, epigrammen (zoals een tekst die in 1480 werd geplaatst bij een OLV-beeld op de collatiezolder); zelfs een kort leerdicht voor schepenen. Een typische gebruikstekst, maar wel één met zeker literair gehalte is een berijmde kalender, die we kennen uit een handschrift afkomstig uit Geraardsbergen. De heiligen zijn echter van een onmiskenbaar Gentse signatuur. Dezelfde tekst komt ook voor op een groot (geschonden) perkamenten vel dat blijkens zijn eenzijdige beschrijving bedoeld was om aan de wand te worden gehangen. 

Rederijkersspelen 

Al ruimschoots voor de oprichting van de eerste Gentse rederijkerskamer (De Fonteine, 1448) werden er toneelspelen opgevoerd. En ook na het midden van de 15de eeuw waren het niet altijd rederijkers die toneel speelden. Een bericht uit 1452 verhaalt over de opvoering van een wagenspel over vier zusters met één vader die vertoornd was op zijn oudste dochter. In het stuk werd de situatie geschetst dat bemiddelingspogingen van de drie zussen niet mochten baten, zodat de oudste zuster wel genoodzaakt zou zijn om de hulp in te roepen van de Witte Leeuw. In 1452 had Gent zich tegen de graaf gekeerd. Het is duidelijk dat het spel een politiek-allegorische betekenis had: de vier zussen waren de vier grote Vlaamse steden; Gent als grootste stad was de oudste zuster. De vertoornde vader was de graaf en de Witte Leeuw was het heraldische symbool voor de koning van Engeland, de traditionele bondgenoot van opstandig Gent. 

Rederijkersteksten zijn er eigenlijk maar heel weinig. Alle “moyte ende haerbeyt” die Gheeraert Pijsekin in 1442-1443 deed “in de syencie ende haert van retorike, ter eeren van onsen gheduchten heere ende prinche” (Filips de Goede), is voor ons tevergeefs geweest, want zijn rederijkersgewrocht is voor latere generaties verloren gegaan. Hetzelfde geldt voor de vijf spelen die Vincent Stuerbout maakte voor het feest van de schutters van het Sint-Jorisgilde in 1497, waar Filips de Schone bij aanwezig was. Lieven Bautkin schreef een gedicht ter gelegenheid van de geboortefeesten van Karel V, die werden gehouden in 1500.  

[Herman Brinkman]

Over de literatuur in Gent in de Middeleeuwen: