De Nederlandse literatuur in Gent : 1945-1960



Vanaf de bevrijding vielen theoretisch de belemmeringen tot publiceren vanwege de bezetting weg. Praktisch waren de beperkingen nochtans niet meteen opgelost. Het leven in het algemeen moest zich normaliseren, de papierschaarste was niet meteen van de baan en de uitgeverswereld was aan herstel toe.
En tóch was de drang tot publiceren groot, vooral bij de jongeren. Na een periode waarin velen het zwijgen was opgelegd, wilde men zich, met de middelen die voorhanden waren, volop manifesteren in een herwonnen sfeer van vrijheid. Het leek wel een collectieve roes, collectief omdat de mogelijkheid tot individueel publiceren – vooral voor jonge auteurs – er nu eenmaal niet was.  

De tijdschriften 

Het meest opmerkelijke literaire gebeuren in Gent vanaf de bevrijding (eigenlijk reeds vanaf de “vooravond” daarvan) was het plotse verschijnen van niet minder dan zeven nieuwe tijdschriften, naast de nog steeds bestaande De schijnwerper en Klaver(en)drie. We sommen ze kort op.   

Nu : tijdschrift voor kunst en wetenschappen (december 1944 - juni 1946, zes afleveringen), werd geleid door Bert Carlier. Naast algemene informatie over het culturele leven in Gent, bracht het ook poëzie en literair-kritische bijdragen. 

Gentsche bladen : literair maandblad voor Vlaanderen (januari-juli 1945, zeven afleveringen), tijdschrift van de Gentse universiteitsstudenten (Germaanse filologie); de latere professor Alex Bolckmans en de Antwerpenaar Emiel Willekens waren er de meest markante figuren van. 

Arsenaal : tijdschrift voor letterkunde (1945-1950), gesticht op initiatief van Rik Lanckrock en Remi Boeckaert. Het bracht vooral poëzie en kritische bijdragen maar het besteedde ook aandacht aan de plastische kunsten. In een geest van openheid en pluralisme wilde het zich afzetten tegen het dilettantisme in de literatuur en de kunst. Tientallen Vlaamse auteurs debuteerden er.  

De Faun : critisch bulletin, letteren, kunst, geestesleven (1945 - januari 1946) ontstond uit de Faun-groep rond Paul Rogghé (zie in de rubriek Verenigingen). Eerder links en vrijzinnig georiënteerd, werd het wel eens een nevenknie van Arsenaal genoemd. 

De Spiegel: maandschrift voor poëzie (1945-1947) uitgegeven in Hoogstraten maar de redactie (met o.m. Paul de Rijck) was in Gent gevestigd. Het was uitsluitend aan de poëzie gewijd. Elk van de twee jaargangen werd afgesloten met een bloemlezing, De Poëziespiegel. Zoals Klaverendrie was De Spiegel uitsluitend gewijd aan poëzie. 

Bouwen : kultureel wetenschappelijk tijdschrift (1945, 3 afleveringen), werd gesticht door Lucien Fruru. Het bevatte vooral poëzie, literair-kritische bijdragen en enkele artikelen over muziek, film, onderwijs e.d. 

Verzet om de waarheid : algemeen kultureel weekblad voor Vlaanderen (1945, 10 afleveringen), manifest katholiek, hier vermeld omdat het in Gent werd uitgegeven.  

Dat vijf van deze tijdschriften al na enkele nummers verdwenen, illustreert wel de overmoed van de (grotendeels) jongeren maar ook het gebrek aan levensvatbaarheid van hun initiatieven. Men wilde vooral literaire vernieuwing brengen (maar daarin slaagde men nauwelijks) en ook aandacht besteden aan kunst, cultuur, wetenschap en maatschappelijke onderwerpen. De belangrijkste verdienste van deze tijdschriften is wellicht dat zij talrijke jongeren de gelegenheid tot publiceren boden. 

Na het bedaren van de “vloedgolf” bleef het – wat Gentse tijdschriften betreft, even rustig.
In 1953 verscheen dan Pan (II) (niet te verwarren met Pan uit de periode 1926-1927). Het werd van 1953 tot 1975 uitgegeven door de Pan, Kring van Oostvlaamse Letterkundigen. O.m. Johan Daisne, Adolf Herckenrath, Paul Rogghé en Pliet van Lishout behoorden tot de redactie. Het tijdschrift bracht (traditionele) poëzie, proza, soms toneel en kritische bijdragen.  

Het Antenneke : literair en artistiek tijdschrift  (1954-1959) werd gesticht door de in hetzelfde jaar opgerichte Gentse Kunstroep “Het Antenneke”, op initiatief van Jos Murez en Marcel de Rijcke. Bedoeling was, los van elke politieke en godsdienstige overtuiging, voor alles klare en heldere schrifturen te brengen, voor elkeen leesbare literatuur. Het bevatte poëzie, proza, toneel (éénmaal) en kritische bijdragen over literatuur en kunst.  

Van Cyanuur : tijdschrift voor letteren en kunst (1955-1956, 9 afleveringen) was Geo Bruggen hoofdredacteur en John Bultinck redactiesecretaris. Het wilde “wat onversmaadbaar is uit het konventionele, en wat bijgewonnen is uit het experiment, tot een aanvaardbaar, nieuw en verrassend resultaat verenigen”. Vanaf 1962 zou een tweede Cyanuur-tijdschrift verschijnen. 

In 1955 en in 1956 publiceerde de Vereniging van Oostvlaamse Letterkundigen (zie verder), op initiatief van Hugo Tomme en Rik Lanckrock, telkens een Letterkundige almanak uit het land van Leie en Schelde, een jaaroverzicht van het literaire gebeuren, met ruime aandacht voor de Gentse scène.   

Vermelden we hier nog de poëziereeks De Hoorn, waarin uitgever Johan van Mechelen van 1953 tot 1959 een 26-tal bundels bracht met werk van vooral naoorlogse jonge en enkele oudere dichters. 

En vergeten we ook de rubriek Geestesleven in dagblad Vooruit niet. Louis Paul Boon nam in 1956 de leiding van deze rubriek over van Richard Minne; oudere en talrijke aantredende jongeren zouden eraan meewerken. In 1945 hervatte Raymond Herreman zijn dagelijkse Boekuil-cursiefjes in Vooruit; van 1945 tot 1965 publiceerde Minne er zijn Brieven aan Pierken en vanaf 1959 bracht Boon er zijn dagelijkse Boontjes...   

Verenigingen en verzuiling 

Naast de reeds sedert 1939 bestaande, eerder links georiëenteerde Pan, Kring van Oost-Vlaamse Letterkungen, werd in 1948 de Vereniging van Katholieke Oostvlaamse Schrijvers (V.K.O.S.) opgericht en in 1954 volgde de pluralistische Vereniging van Oost-Vlaamse Letterkundigen (V.O.L.).
Enigszins als een buitenbeentje werd in 1954, aansluitend bij de V.O.L., het Internationaal Literair en Toneelagentschap ILITA gesticht; het wilde de Vlaamse literatuur in het buitenland bekendmaken en o.m. vertalingen stimuleren. Het stond onder leiding van Hugo Tomme die ook secretaris van de V.O.L. was.  

In 1948, toen het oprichten van de V.K.O.S. in de lucht hing (en Pan dus al bestond) – ondernam het Oost-Vlaamse provinciebestuur een poging om te komen tot één pluralistische literaire vereniging voor de gehele provincie. Het water was echter nog te diep, de links-rechts-tegenstellingen nog onoverbrugbaar... Meerdere auteurs waren nochtans lid van, schreven in de tijdschriften en namen deel aan de activiteiten van twee of zelfs drie van der vermelde verenigingen.
Hoezeer de verzuiling nog woog op de literaire bedrijvigheid, wordt eveneens geïllustreerd door de heftige aanvallen in het (niet-Gentse) tijdschrift Nieuwe stemmen (dat zich ooit “radikaal katholiek” noemde) tegen het Gentse pluralistische Arsenaal. En Verzet om de waarheid (dat een “christelijk radicalisme” beleed), keerde zich al even strijdbaar tegen Bouwen. 

Evenementen 

Vanaf de bevrijding, en vooral vanaf de jaren ’50, was het aantal literaire evenementen in Gent talrijk en zeer verscheiden. We beperken ons hierna tot een opsomming van periodieke initiatieven.  

De hoger vermelde verenigingen organiseerden geregeld literaire lezingen. Het meest opmerkelijke initiatief was echter dat van Leeskring Boekuil. In een onwaarschijnlijk hoog ritme – wekelijks tijdens de winterperioden! – was nagenoeg de hele pleiade uit de toenmalige Vlaamse én Nederlandse literatuur er van 1948 tot 1962 te gast.  

Vanaf de jaren ’50 organiseerde de V.K.O.S. jaarlijkse Leievaarten waarbij de deelnemers uit eigen werk voorlazen. 

In 1946 startte het stadsbestuur met een jaarlijkse prijs voor ontluikend talent. Sidy de Keyser en Georges Verbruggen (Geo Bruggen) waren er de eerste laureaten van. 

Elke vereniging organiseerde wel eens boekenbeurzen. Van 1954 tot 1961 deed het stadsbestuur dit in de salons van de Opera. Ze waren gewijd aan Nederlandstalige én Franstalige Gentse auteurs en aan de Gentse literaire verenigingen en tijdschriften. Meestal gingen ze gepaard met lezingen en tentoonstellingen. 

Individuele auteurs 

Direct na de oorlog was het uitbrengen van indivueel werk voor weinigen weggelegd. Alleen de meer gekende namen hadden toegang tot gevestigde uitgeverijen, vooral dan het Antwerpse Manteau waar Johan Daisne (o.m. Drie hoog-voor en Schimmen om een schemerlanp), Louis Paul Boon (Vergeten straat en Mijn kleine oorlog) en Adolf Herckenrath (Drie cantieken) publiceerden.
Zoals gezegd waren jongere auteurs vooral aangewezen op de tijdschriften. In een reeks als De Spiegel konden enkelen nochtans al eens een bundel uitbrengen.  

Vanaf 1947 was de toestand al enigszins genormaliseerd en begonnen veel van de bovenvermelde auteurs (grotendeels traditioneel) zelfstandig werk te publiceren. De meest opvallende van hen was Johan Daisne die de magisch-realistische lijn voortzette met o.m. zijn meestwerk De man die zijn haar kort liet knippen (1948), De trein der traagheid (1950) en Lago Maggiore (1957) en die voorts meer traditionele poëzie, proza, toneelwerk en essays bracht.
Zeker nog twee andere Gentenaars gingen resoluut hun eigen weg: Hugo Claus en Christine D’Haen.
Claus beleefde van 1955 tot 1964 zijn eerste “Gentse periode”. In de jaren ’50 startte hij met experimentele poëzie (o.m. in Oostakkerse gedichten) en nog tijdens de hier behandelde periode nam hij – zeer opgemerkt – reeds een zo hoge als veelzijdige vlucht met o.m. de romans De koele minnaar (1955) en De zwarte keizer (1958) en de toneelstukken Een bruid in de morgen (1955), Suiker (1958) en Kijk mama, zonder handen (1959).
De eerder teruggetrokken Christine D’Haen publiceerde in 1958 haar debuutbundel Gedichten 1946-1958. Met deze in klassieke vorm geschreven, erotisch geladen poëzie vestigde zij naar naam meteen.  

[Frans Heymans & Rik Lanckrock]

Over de jaren 1945-1960: