De Nederlandse literatuur in Gent : 1940-1945

Tijdens de Tweede Wereldoorlog lag de literaire bedrijvigheid grotendeels stil. Overleven was de eerste opgave. Veel jongeren moesten hun studies onderbreken en werden weggevoerd, zoals de veelbelovende Robert Mussche, die in Duitsland in dramatische omstandigheden omkwam, of Georges Hebbelinck die de kampen van Breendonk en Buchenwald overleefde of nog Prosper de Smet, die in een Duits werkkamp belandde. Anderen leefden ondergedoken (Frank Meyland, Achilles Mussche, Emiel Parez en Pliet van Lishout). Enkelen engageerden zich té intens voor de “Dietse” zaak en werden daarvoor na de oorlog gestraft (Filip de Pillecyn, Wies Moens, Jef Hinderdael).
Met het vorderen van de oorlogsjaren werd de censuur van de Duitse Propagandastaffel strenger, werden de communicatiemogelijkheden gebrekkiger én bleek het papier steeds schaarser. Veel auteurs weigerden bovendien mee te werken aan bepaalde tóch verschijnende tijdschriften die de reputatie van enige Duits-aanhankelijkheid hadden.
Literatuur schrijven, boeken of tijdschriften publiceren, lag in die omstandigheden niet voor de hand. Niettemin zou het verkeerd zijn, te stellen dat er in Gent (maar ook elders) helemaal niets gebeurde op literair gebied.  

Tijdschriften  

Enkele Gentse literaire periodieke publicaties bestonden al van vóór 1940 en bleven tijdens de oorlog (en sommige ook nog daarna) verschijnen: 

Klaverendrie (1937-1948) wist zijn periodiciteit (tweemaandelijks) ononderbroken te handhaven. Enkel tijdens het eerste en het laatste oorlogsjaar bracht het wat minder bladzijden. Dit tijdschrift was nagenoeg uitsluitend gewijd aan de poëzie. De redactieleden (Johan Daisne, Marcel Coole – die in 1943 werd vervangen door Pierre H. Dubois – en Luc van Brabant) wilden voornamelijk zichzelf publicatiemogelijkheid geven met dit tijdschrift. Vanaf het begin van de oorlog werden echter ook tal van “gastschrijvers” uit Vlaanderen en Nederland opgenomen. Ondanks het feit dat Klaver(en)drie strikt genomen in Brugge werd uitgegeven, wordt het – wegens het ruime aandeel van Johan Daisne en de medewerking van vele Gentse “gastdichters” – tóch algemeen als Gents beschouwd. 

Veel minder prestigieus – zowel wat vorm als inhoud betreft – bleef ook Het Morgenrood (1918-1944) tijdens de oorlog verschijnen. Het werd uitgegeven door Oscar Verburgt en zijn zoon Heliodoris, boekhandelaars in Ledeberg. 

Nog tijdens de oorlog stichtten o.m. Frank Meyland, Gerard van Elden en Luc van Geertsom het poëzietijdschrift Podium (1942-1944), met werk van jongeren. Om de toelating van de bezetter te omzeilen, werd het aanvankelijk als boek gepresenteerd, een “bloemlezing in afleveringen”. Later, nadat Meyland was ondergedoken, noemde de vernieuwe redactie het – nog steeds zonder toelating verschijnend – “letterkundig tijdschrift der jongste generatie” en werd ook proza opgenomen.  

De Schijnwerper (1944-1946) was dan weer een weekblad dat de culturele actualiteit in Gent volgde en dat geregeld ook literaire onderwerpen bracht, o.m. een rubriek “Galerij van Gentsche letterkundigen” die door Rik Lanckrock werd verzorgd. 

Bij deze mag erop gewezen worden dat de Gentse Groote Snoecks almanak, als algemeen cultureel jaarboek, tijdens de oorlog bleef verschijnen en bijdragen bracht van jongeren als Johan Daisne, Geo Verbruggen (Bruggen), Hubert Lampo en Hugo Claus, en van ouderen als o.m. Richard Minne en Willem Elsschot. Bovendien slaagde uitgeverij Snoeck-Ducaju er in 1942 en 1943 nog in, een achttal fraaie boekjes te publiceren in de reeks Blauwe Snoeckjes. Eén daarvan was Altijd opnieuw van Maurice Roelants. 

Exemplarisch voor de op zijn zachtst uitgedrukt chaotische wijze waarop het literaire leven tijdens de oorlog ook in Gent verliep, is het rijkelijk gedocumenteerde verhaal dat Manco Daane over die periode ophing in zijn Minne-biografie De vrijheid veroveren (2001, p. 300-329). Nadat de Duitsers voor de poorten van Gent stonden, vluchtte nagenoeg de gehele Vooruit-redactie naar Frankrijk. Het dagblad werd “gekaapt” door de bezetter en propagandistisch naar zijn hand geplooid. De rubriek Geestesleven werd herdoopt in Kunst en volk en Minnes populaire Brieven van Pierken werden door ene Leo Poppe schaamteloos “overgenomen” en Duitsgetrouw geïmiteerd. 

Literaire verenigingen 

In maart 1939 reeds was de links-vrijzinnige vereniging Pan, Kring van Oostvlaamse Letterkundigen opgericht op initiatief van o.m. Johan Daisne, Adolf Herckenrath, Paul Rogghé en Daan Boens. Bedoeling was, de contacten tussen Oostvlaamse auteurs en kunstenaars te bevorderen en hun belangen te verdedigen. Vanaf 1954 zou deze vereniging het gelijknamige tijdschrift publiceren. 

Reeds in het najaar 1940 (en tot het voorjaar 1945) verzamelde Paul Rogghé een groep jongeren rond zich, meestal studenten van de Gentse universiteit, in wat “de Faun-groep” of “de Faunbeweging” zou worden genoemd. Zij kwamen geregeld bijeen in een “gastvrij huis aan de Kasteelkaai” (thans Hagelandkaai, bij de Dampoort) waar zij zich overgaven aan gesprekken en discussies in een geest van “clandestien” cultureel verzet tegen de geestelijke beperkingen onder het juk van de bezetter. Tot deze groep behoorden o.m., naast leider Rogghé zelf, Johan Daisne, Annie Lannoo (later Van de Wiele-Lannoo), Dora Mahy, Sidy de Keyser, Geo Bruggen, Emiel Parez en anderen. Na de bevrijding stopte de groep als discussieforum maar zij kende een voortzetting in het tijdschrift De Faun.  

Individuele auteurs 

Ondanks alle belemmeringen, wisten sommige auteurs tóch werk te publiceren. We vermelden de meest opmerkelijke: Paul Rogghé bracht zijn Jacob van Artevelde uit (1941), Filip de Pillecyn zijn Pieter Fardé (1942), Pliet van Lishout zijn De obsessie (1942), Richard Minne zijn Wolfijzers en schietgeweren (1942), Daan Boens zijn Opdracht aan het leven (1943), Maurice Roelants zijn Gebed om een goed einde (1944) en op zijn onderduikadres schreef  Achilles Mussche zijn (pas in 1950 gepubliceerd) Aan de voet van het Belfort...
Een der meest opvallende literaire werken uit de oorlogsperiode was de roman De trap van steen en wolken (1942) waarmee Johan Daisne het magisch-realisme in de Nederlandse literatuur introduceerde.
En voorts gistte er wat bij vele jongeren. Wegens de oorlogsomstandigheden kon dat echter het licht niet zien. Het zou onmiddellijk na de bevrijding als in een roes, een explosie van noodgedwongen opgespaarde energie, veelzijdig aan de oppervlakte komen.  

De Tweede Wereldoorlog in fiction 

Reeds vier jaar vóór de oorlog had de toen 59-jarige Henri van Daele zijn afkeer voor het opkomend Nazi-Duitsland al ondubbelzinnig in zijn revue(tekst) Hieteleire (1936) gelegd. Relatief weinig Gentse auteurs die de Tweede Wereldoorlog zelf meemaakten, lieten zich (soms decennia later) inspireren tot het schrijven van fiction over deze traumatiserende periode. De bekendste zijn ongetwijfeld Louis Paul Boon (Mijn kleine oorlog,1946) en Hugo Claus (Het verdriet van België, 1999). Ook andere Gentse auteurs schreven over hun oorlogservaringen: André de Ké (o.m. Mijn jeugd onder de toren, 1968 en Er groeide geen onkruid, 1972); Prosper de Smet (De Griek op het vliegveld van Herrenhausen, 1975 en Het geweer zonder kogels, 1985); Frans de Schrijver (Als mens geboren, 1952 en Het zaad van morgen, 1959); Georges Hebbelinck (Het meisje in de kelder, 1958 en De trein reed door het dal, 1962) en tenslotte Eddy Tange (o.m. Geen held... maar een getuige, 1997, De laatste oorlog : novellen over 40-45, 2004).    

[Frans Heymans & Rik Lanckrock]

Over de oorlogsjaren: