terug naar index
Sint-Agnete (rederijkerskamer, 15-17de eeuw)

Deze rederijkerskamer wordt in de bronnen Sente Agnete of occasioneel de Bomelooze (ook wel eens Bodemlooze) Mande genoemd. Haar zinspreuk was “Elcx begheerte es”, haar patrones de heilige Agnes. Het gezelschap werd op 22 oktober 1471 door het Gentse stadsbestuur officieel als rederijkerskamer erkend. Reeds in 1469 had het bestuur van de Sint-Janskerk (de huidige Sint-Baafskathedraal) aan het gezelschap het recht verleend de Sint-Agneskapel in de kerk te gebruiken en een broederschap met de heilige Agnes als patrones op te richten. In 1475 verleende ook de familie Borluut de toestemming de Sint-Agneskapel, die dienst deed als grafkapel van de familie, te gebruiken. In hetzelfde jaar schonk het stadsbestuur de rederijkerskamer een portie wijn voor het vieren van haar koningsfeest.  

In 1533 kreeg het gezelschap samen met drie andere Gentse rederijkerskamers (De Fonteine, Sint-Barbara en Mariën Theeren) vanwege de Gentse magistraat een jaarlijkse subsidie van drie pond groot (de rekenmunt, gangbaar in Vlaanderen) toegewezen.  

Sint-Agnete trad af en toe ook buiten de stad op: het gezelschap nam deel aan wedstrijden in Antwerpen in 1496, in Brugge in 1517 en in Aalst in 1551. Na de Beeldenstorm (1566) werden de subsidies van de vier Gentse rederijkerskamers geschrapt. Sint-Agnete was net zoals de andere kamers actief tijdens de Calvinistische Republiek (1577-1584).  

Over de zeventiende-eeuwse geschiedenis van het gezelschap is niet veel geweten. Er is wel een doopbrief – uit 1611 – van de rederijkerskamer van Elversele (in het Land van Waas), waarin de Gentse Sint-Agnete en Sint-Barbara worden genoemd als hoofdkamers in Vlaanderen, maar het is niet duidelijk wat dat precies betekende. Bovendien blijkt uit een akte voor de Gentse schepenen – van 22 april 1619 – dat de deken van Sint-Agnete nog een rentetitel kocht in naam van het gezelschap.   

[Anne-Laure van Bruaene]

Over Sint-Agnete: