terug naar index
Rijksnormaalschool

(1880- )  

Deze school werd opgericht in 1880. Van bij het begin – en tot op vandaag –  was en is zij gevestigd in de Ledeganckstraat. In 1995-1996 werd zij opgenomen in de Hogeschool Gent, als Departement Lerarenopleiding. 

Net als de andere Rijksnormaalscholen in Vlaanderen, in het bijzonder deze te Lier, is ook deze van Gent vanaf haar ontstaan een vruchtbare kweekvijver van uitstekende lesgevers en pedagogen geweest.
In de loop van haar honderdjarig bestaan telde de Gentse school onder haar studenten en haar lesgevers tal van figuren – ruim 125 – die ook als literator en als filoloog bekend zouden worden: illustere schrijvers, staatsprijswinnaars, leden van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, professoren aan de Gentse universiteit. Niet alleen kwantitatief, maar ook kwalitatief een buitengewoon rijke oogst. 

Uit de lesgevers en lesvolgers van de eerste kwarteeuw van de school moeten vooral de gebroeders Gilles Désiré en Jozef Minnaert vermeld worden. Hun toneelstuk Siddhârta of, De ster van Indië (1899) werd niet enkel (buiten wedstrijd) bekroond door de stad Gent in een prijsvraag, uitgeschreven bij de opening van het nieuwe gebouw van de Koninklijke Nederlandse Schouwburg, het leverde hen nadien ook nog een bekroning op met de staatsprijs voor toneelletterkunde. Gilles Désiré was bovendien actief als vernieuwer van het taalonderwijs en als voorzitter van het Willemsfonds.
Andere belangrijke figuren in diezelfde eerste kwarteeuw waren: Omer Wattez (novellist), Aimé Bogaerts (journalistiek, canatates), Raymond de Kremer of Jean Ray (fantastische verhalen), Alexis Callant (jeugdschrijver), Jozef Vercoullie (hoogleraar Gense universiteit), Michel Thiery (stichter natuurhistorisch schoolmuseum), Abraham Hans (grondlegger van de Vlaamse feuilleton; auteur van volks- en kinderboeken), Pol Anri (medewerker aan het Gents woordenboek van Lodewijk Lievevrouw-Coopman) en Richard de Cneudt (dichter maar ook ijveraar voor de vernederlandsing van het onderwijs te Brussel en de afschaffing van Franstalige scholen in Vlaanderen). 

De tweede periode, de eerste decennia van de 20ste eeuw,  werd literair-historisch gezien gedomineerd door de inspirerende persoonlijkheid van Lambrecht Lambrechts, die als literator en musicoloog te Lier, Blankenberge en Gent tientallen studenten tot creatief werk aanzette, zo o.a. Franz de Backer, Marcel Deruelle, Julien de Valckenaere, en Julien Kuypers. De klas die aantrad in 1915 zou een zo merkwaardige generatie onderwijzers opleveren, dat men 1915 “het wonderjaar” zou noemen. Die klas “leverde” niet minder dan tien auteurs af o.m. Raymond Herreman, Achilles Mussche, Maurice Roelants (drie staatsprijswinnaars!) en Gaston Crommen (later hoofdredacteur van het dagblad Vooruit, burgemeester van Ledeberg en eerste ondervoorzitter van de Senaat).
In de periode van het interbellum traden generaties aan die op velerlei terreinen actief waren en die de stempel van hun persoonlijkheid drukten op de literatuur. Onder hen de dichters René Verbeeck, Karel Jonckheere, Jan Schepens, Arthur Kamiel Rottiers en Marcel Coole. Marcel Lambin, Emile Langui (administrateur-generaal voor Schone kunsten) en Hubert Devoghelaere voelden zich sterk aangetrokken tot de plastische kunsten. Anderen zoals Marcel Stijns, Oscar van Hauwaert en Frank Baur vonden hun werkterrein dan weer in de journalistiek, het moedertaalonderwijs en de Vlaamse Beweging. 

In de jaren veertig en vijftig traden vooral een aantal belangrijke filologen op de voorgrond: Marcel Hoebeke, Willem Schrickx, Edward Verhofstadt, Theo Vindevogel, Frans Vyncke en Hugo Ryckeboer. Als romanschrijvers en tv-medewerkers niet onopgemerkt: de vaak bekroonde Walter Haesaert en Valeer van Kerkhove. Toneelauteurs van betekenis waren Fernand Demets en Georges van Vrekhem. Maar de dichters, zowel deze van traditionele als van experimentele poëzie, vormden de grootste groep, met o.m. Kamiel Top (die in het concentratiekamp van Flossenburg overleed), Ben Cami, Marcel Wauters, Frank Meyland, Jan van der Hoeven, Roland Jooris, Hedwig Speliers en de Fransschrijvende Thierry Delescaut (pseudoniem van Paul van Causbrouck). 

In het derde kwart van de 20ste eeuw traden zowel prozaïsten als dichters van zeer uiteenlopend  pluimage op de voorgrond: Jan Emiel Daele, Roger Serras, Herwig Leus, Pol Hoste, Daniël van Ryssel, Frank de Crits en Oscar de Wandel. Noch het nieuw-realisme, noch de neo-romantiek zijn aan de Rijksnormaalschool onopgemerkt voorbijgegaan.
In diezelfde periode werd op de school het thans toonaangevende tijdschrift Yang (1963- ) gesticht. Later verschenen vier jaargangen van het tijdschrift Amarant (1973-1977), dat ook buiten de school een redelijke verspreiding kende en dat kon rekenen op “vreemde” medewerkers, zo o.m. Jotie T’Hooft.

De afgelopen decennia liggen te dichtbij om er al uitspraken over te doen, maar ook in deze recentste periode zijn er docenten en studenten die zich al met verdienstelijk literair werk manifesteerden. Daniël Billiet, Gerrit Bosman en Geertrui Daem zijn daarvan de meest sprekende voorbeelden. 

[Daniël van Ryssel]

Over de Rijksnormaalschool: