terug naar index
De Balsemblomme (rederijkerskamer, 15de-16de eeuw)

Deze rederijkerskamer wordt in de bronnen aangeduid als het Broederschap der Balsemen of als de Balsemieren. Ze was toegewijd aan de Zoete Naam Jezus (vandaar ook de naam Jezus met der Balsemblomme).  

In 1493 ontbood de Bourgondische hertog Filips de Schone alle Nederlandstalige rederijkerskamers in Mechelen voor een rederijkersfeest met aansluitend daarop een algemene vergadering. Op deze vergadering werd de vorstelijke en soevereine hoofdkamer De Balsemblomme opgericht. Prins-soeverein werd Pieter Aelters, Filips de Schones kapelaan. Hij kreeg een volmacht om statuten te verlenen aan nieuwe rederijkersgezelschappen en om de reglementen van bestaande kamers te vernieuwen.
Aanvankelijk was het de bedoeling dat de nieuwe kamer zou deel uitmaken van het hof van de hertog en dus zou meereizen van de ene vorstelijke residentie naar de andere. Wellicht was dit praktisch moeilijk te organiseren, want al snel werd De Balsemblomme permanent gestationeerd in Gent. Het gezelschap beschikte zeker al in 1505 over de Sint-Barbarakapel in het Prinsenhof. In 1512 werd deze kapel uitdrukkelijk als vaste locatie van de rederijkerskamer aangeduid. 

Het instituut rederijkerskamer was een bij uitstek stedelijk fenomeen. Door zelf een vorstelijke hoofdkamer op te richten gaven de hertog en zijn entourage te kennen dat ze zich ten volle bewust waren van het cultuurpolitieke belang van de rederijkerskamers. Het moment was niet toevallig gekozen. Er was in 1493 nog maar pas een eind gekomen aan de jarenlange burgeroorlog en opstand tegen Filips’ vader en voogd, de Habsburger Maximiliaan van Oostenrijk. De steden hadden zich verzet tegen Maximiliaans machtsaanspraken en zelf de voogdij opgeëist over de minderjarige Filips, zoon en erfopvolger van de jong gestorven hertogin Maria van Bourgondië. Beide partijen hadden ook culturele wapens in de strijd geworpen. Zo had Gent, die een voortrekkersrol speelde in de opstanden, haar rederijkerskamers herhaaldelijk uitgezonden naar ondergeschikte steden, wellicht om door middel van toneelstukken propaganda te maken voor de Gentse zaak. Ook De Fonteine, in 1476 door hertog Karel de Stoute erkend als geprivilegieerd gezelschap, was daarbij van de partij. 

De hertogen beseften maar al te goed dat rederijkerskamers geweldige propaganda-instrumenten waren maar dat, als het er echt op aan kwam, ze steeds de stedelijke belangen zouden verdedigen. Een eigen vorstelijke rederijkerskamer, die toezicht diende te houden op de ondergeschikte stedelijke rederijkerskamers leek daarbij de gedroomde oplossing. Dit paste in de algemene centralisatiepolitiek van de hertogen. Het leek ook geen slecht idee om die vorstelijke rederijkerskamer in het pas onderworpen Gent te stationeren en zo het prestige van De Fonteine te ondermijnen. Dat was echter buiten de vier Gentse rederijkerskamers (De Fonteine, Sint-Barbara, Sint-Agnete en Mariën Theeren) en het stadsbestuur gerekend. Deze spanden samen om het De Balsemblomme via processen en pesterijen zo moeilijk mogelijk te maken. Filips de Schone, Maximiliaan van Oostenrijk en Margaretha van Oostenrijk ondernamen pogingen om hieraan paal en perk te stellen. Dat haalde weinig uit en na 1515 (inhuldiging Karel V als graaf van Vlaanderen) lijken de vorsten hun belangstelling voor het project verloren te hebben. Er zijn geen aanwijzingen dat De Balsemblomme tussen 1493 en 1515 ooit behoorlijk gefunctioneerd heeft: wellicht heeft de vorstelijke rederijkerskamer nooit een andere rederijkerskamer erkend of nooit een wedstrijd georganiseerd. 

Het falen van De Balsemblomme als vorstelijk cultuurproject luidde nog niet het definitieve einde van de rederijkerskamer in. Tot het begin van de jaren 1560 leidde de kamer een sluimerend bestaan. In 1561 trad ze echter op de voorgrond door een grote refreinwedstrijd te organiseren. Ze verspreidde daarvoor uitnodigingen in Vlaanderen, Brabant, Holland en Zeeland. Het initiatief werd echter verboden door het Gentse stadsbestuur die de wedstrijd als een potentiële haard van ketterij bestempelde. De Balsemblomme trok daarop naar de Raad van Vlaanderen, maar daar werd het oordeel van het stadsbestuur bevestigd. De Balsemblomme beriep zich in deze en andere zaken nog steeds op haar vorstelijk statuut. Dat bleek echter nog maar weinig indruk te maken. Het gezelschap was actief tijdens de Calvinistische Republiek (1577-1584), maar verdween daarna definitief van het toneel.  

De Gentse literator Lucas d’Heere was vermoedelijk lid van De Balsemblomme. In zijn opdracht aan Adolf van Bourgondië, heer van Wakken en hoogbaljuw van Gent, in Den Hof en Boomgaerd der Poesiën (1565) verwees hij naar de oprichting van De Balsemblomme door Filips de Schone. In hetzelfde werk droeg hij een refrein op aan Guillaume vanden Bogaerde, toenmalig prins van De Balsemblomme. D’Heere wees De Balsemblomme ook een prominente rol toe in de intrede van Willem van Oranje in 1577. 

[Anne-Laure van Bruaene]

Over De Balsemblomme: