terug naar index
Le Réveil

Revue mensuelle de littérature et d'art (1892-1896)

In 1888 richtten enkele Gentse atheneumstudenten een Franstalige tegenhanger op van de Vlaamsgezinde letterkundige vereniging De Heremans’ Zonen: de Cercle littéraire français. Van een literair genootschap van poësisstudenten evolueerde de kring naar een genootschap van oud-leerlingen en in 1891 startten ze met de uitgave van hun Essais, gedrukt bij Gentenaar Léon de Busscher. De kernredactieleden waren Albert Guéquier (1870-1901) en de gebroeders Lucien (1872-1946) en Louis (1873-1952 ) de Busscher. Eind 1891 werd in het laatste nummer van Essais aangekondigd dat vanaf januari 1892 de kolommen van een nieuw tijdschrift ook open zouden staan voor “tous les écrivains, sans distinction d’école” en niet langer alleen voor de leden van de Gentse Cercle littéraire français. Het nieuwe tijdschrift was Le Réveil, revue mensuelle de littérature et d'art, gedrukt door B. De Keukelaere, wiens zaak gevestigd was in De Brabantdam, recht tegenover de stamkroeg van de kliek rond Le Réveil, Café Albion.
Le Réveil was geen studententijdschrift meer. Vanaf 1892 kon het auteurs als Georges Rodenbach, Georges Marlow, Camille Lemonnier, Fernand Severin, Georges Eekhoud, Max Elskamp en vele anderen van de toenmalige symbolistische fine fleur van de Franstalige Belgische literatuur tot zijn “principaux collaborateurs” rekenen. Herman Braet en een aantal anderen schrijven de doorstart van Le Réveil toe aan Grégoire Le Roy, die “fondateur” van Le Réveil zou zijn. In de eerste en tweede jaargang van Le Réveil (1892 en 1893) zou Le Roy geen enkele bijdrage laten optekenen en geen belangrijke functie meer vervullen binnen de redactie. Het redactieadres van het nieuwe tijdschrift was het adres van de gebroeders De Busscher en het administratieadres was de domicilie van Albert Guéquier. De studenten bouwden het tijdschrift uit dankzij de contacten van het Gentse symbolistische trio Le Roy, Charles van Lerberghe en Maurice Maeterlinck. Ook al zochten Van Lerberghe en Le Roy nog regelmatig hun geboortestad op, in 1891-1892 was enkel Maeterlinck er nog prominent aanwezig. Karel van de Woestijne zou Le Réveil later omschrijven als een tijdschrift geboren uit bewondering van jongeren voor Maeterlinck: “Hij, pas beroemd en over het paard getild door [Octave] Mirbeau (…) was het gevierde hoofd geworden van het cenakelken waar Le Réveil uit ontstond”. Nochtans zou spoedig blijken dat de jonge Gentenaars de hulp van Maeterlinck niet meer nodig hadden en hun eigen netwerk van correspondenten parallel met dat van Maeterlinck hadden uitgebouwd. Dit blijkt onder meer uit de correspondentie van Guéquier, bewaard in de Archives et musée de la littérature (http://www.aml.cfwb.be/).

Toen La Wallonie in 1892 ophield te bestaan, gaven zowel het Luikse Floréal als Le Réveil onderdak aan medewerkers van La Wallonie, o.m. aan Albert Mockel en Edmond Rassenfosse. Ook Franse symbolisten als André Gide en Francis Vielé Griffin werkten vanaf dan mee aan Le Réveil. “Nous agrandîmes la maison du Réveil pour les mieux recevoir”, zou Sérasquier (Louis de Busscher) schrijven. Le Réveil stond aanvankelijk open voor alle literaire stromingen: symbolisme, sociale kunst en l’art pour l’art, maar vanaf 1893 ging zich men meer en meer afzetten tegen l’art pour l’art in het algemeen en tegen La Jeune Belgique en Iwan Gilkin in het bijzonder. Eén der belangrijkste stappen in de evolutie van Le Réveil werd niet in Gent, maar wel aan de Belgische kust gezet. In de zomer van 1893 ontmoetten Guéquier en de gebroeders De Busscher er de toenmalige sterkhouders van het Luikse Floréal: Pierre Joseph Olin (1895- ) en Albert Arnay. Volgens Sérasquier werd “sur le sable de la plage” het opgaan van Floréal in Le Réveil geregeld. Toch zou het pas op de valreep (eind december 1893) tot een akkoord tussen beide redacties komen. Le Réveil kreeg een nieuwe ondertitel: Flandre et Wallonie, mensuel de littérature et d’art. Het fusietijdschrift werd uitgegeven door een coöperatie die was samengesteld uit de redactie en een “sous-comité d’extension”, in totaal een dertigtal personen, waaronder vanaf 1896 ook Cyriel Buysse, die in 1895 in Le Réveil ook drie “Petit Contes” publiceerde.

Le Réveil was in de jaren 1890 ook het enige Belgische literaire tijdschrift dat nadrukkelijk toenadering zocht tot een uitgever. Er werd een langlopend contract opgesteld met Edmond Deman en in december 1893 werd ook de publicatiereeks Collection du Réveil opgestart waarin 7 bundels werden uitgegeven. De opbrengst van de verkochte exemplaren werd verdeeld tussen Deman, de auteurs en Le Réveil dat het besteedde “à augmenter l’importance ou à améliorer les conditions typographiques ou bibliographiques de la revue ”. De belangrijkste twee bundels waren Les Villages Illusoires van Emile Verhaeren en Trois petites drames pour marionettes van Maurice Maeterlinck. Vanaf 1893 werd inderdaad meer aandacht besteed aan de ornamentatie die vooral door Charles Doudelet, maar onder meer ook door Théo van Rysselberghe, Georges Minne en Henry van de Velde werd verzorgd.

In 1894 werd voor een eerste keer duidelijk dat teveel tijdschriften een beroep wilden doen op dezelfde auteurs. Guéquier, beter bekend onder zijn pseudoniem Friche, had geruchten opgevangen over de oprichting van een nieuw tijdschrift. Hij vroeg Verhaeren of hij aan een nieuw tijdschrift dacht. Guéquier was verontwaardigd: “Et vous ne dites rien a votre ami Friche! (..) Nous avons pour les gros articles de fond la Société nouvelle et pour les autres Le Réveil!”. Niettegenstaande het protest van Guéquier zou Le Coq Rouge, want daarover ging het, vanaf 1895 toch verschijnen. Hier moet het begin van het einde van Le Réveil gezocht worden. Eind 1895 diende zich een nieuwe belangrijke persoonswissel aan in de redactie van Le Réveil, een wissel die meestal wordt toegeschreven aan de drukke studieactiviteiten van Guéquier en L. de Busscher. De Gentse tandem Guéquier en L. de Busscher werd vervangen door een groep Brusselaars rond Albert Arnay, die al een tijdje directeur was. De werkelijkheid was ongetwijfeld gecompliceerder. Ook De Busscher schreef dat ze naar wat meer tijd voor zichzelf hunkerden, maar lichtte in de Almanach de L’Université de Gand (1896) zelf een tip van de sluier: “Nous étions las, Friche et moi, de cette lourde et assujettissante besogne, de faire paraître une revue volumineuse en une ville désolée de province, – où l’art est en exil – comme a dit Rodenbach”.

In december 1896 verscheen Le Réveil voor het laatst, zonder enige mededeling. Het tijdschrift raakte in een klimaat van kosmopolitisme en internationalisme maar niet verlost de epitheta ‘Gents’ en “provincialistisch”, niettegenstaande vanaf eind 1895 de Gentse inbreng eerder ter verwaarlozen was. Eugène Demolder omschreef  Le Réveil in 1897 nog als een “petite boîte doctrinaire et provinciale”. Deze omschrijving doet afbreuk aan de rol die Le Revéil speelde in de eerste helft van de jaren 1890: de lijst van medewerkers spreekt voor zichzelf.

[Christophe Verbruggen]

Over Le Réveil: