terug naar index
Koekoek

(1931-1935) 

In de jaren twintig was de Gentse socialistische krant Vooruit langzaam ingedommeld, een tamelijk saai partijblad geworden. Om het blad weer op het goede spoor te zetten werd August Balthazar in 1927 door de Samenwerkende Maatschappij Het Licht ingeschakeld als hoofdredacteur. Balthazar trok een aantal nieuwe krachten aan: losse medewerkers zoals Paul Kenis, August Vermeylen, Achilles Mussche en Camille Huysmans, en vaste redacteuren zoals Raymond Herreman, Richard Minne, George Hamers, Paul-Gustave van Hecke. Als illustratoren werden Frits van den Berghe en Jozef Cantré aangetrokken. Dankzij nieuwe subsidiëring en een nieuwe rotatiepers werd het voor Vooruit mogelijk om enkele wekelijkse bijbladen te drukken. Koekoek was er één van.  

Allicht in het voorjaar van 1931 stelden enkele jonge medewerkers van Vooruit (Gaston Crommen, George Hamers, Oscar Coddron, Raymond Herreman, Frits Van den Berghe, Jozef Cantré en Richard Minne) voor een satirisch bijblad te beginnen. Herreman en Van den Berghe hadden ervaring met dit soort weekbladen: Herreman was een tijd redacteur van het flamingantische Pallieter (1922-1928) en Van den Berghe werkte als tekenaar voor het Gentse activistische Reinaert (1930-1940). 

Koekoek verscheen vier jaargangen elke donderdag (1931-1935). In vergelijking met de harde politieke taal in Pallieter en Reinaert, startte Koekoek mild en zelfs opgewekt. Geen scheldpartijen of wrang cynisme – beloofde de redactie – maar schalkse prikjes en zelfrelativering. De redacteurs namen wél de ruggengraat van Koekoek over van de genoemde Vlaamse modellen: een covertekening van een “Vlaamse kop” met een bijbehorend hoofdartikel over die persoon, een rubriek Ezelarijen (lachen met zetfouten en eigenaardige formuleringen in andere kranten), een “brievenbus”, en een pagina met cartoons (vaak overgenomen uit buitenlandse kranten). 

Onze galerij van beroemde en beruchte mannen was een van de belangrijkste en langstlopende rubrieken in Koekoek. In de eerste drie jaargangen nam hij elke week de derde pagina in beslag. Een respectabel aantal bijdragen was gewijd aan literatoren en kunstenaars: Stijn Streuvels, Cyriel Buysse, Constant Permeke, Achilles Mussche, Karel Leroux, Gust de Smet, Herman Teirlinck, Albert Saverys, Richard Minne, Maurice Roelants, Paul Kenis en vele anderen.  

De meeste van de “literaire” feuilletons was een veel korter leven beschoren. Zo verschenen van Paul Kenis (door Mast en Danneels) maar vier afleveringen. Het was een parodie op het feuilleton Mast en Danneels dat Paul Kenis voor Vooruit had geschreven. Enkele feuilletons werden begonnen en verdwenen dan plots, zoals Wolfcarius, Uit het leven van Pick en De vier musketiers. Dit laatste feuilleton zou door vier verschillende auteurs geschreven zijn. 

De populairste en langstlopende rubriek was zonder twijfel De Brieven van Pierken, een fictief  schoolopstel van een ongeveer achtjarige Gentse volksjongen. Richard Minne schreef de teksten en Frits van den Berghe illustreerde ze.
Het genre van het schoolopstel was zeker niet nieuw. Dergelijke opstellen stonden ook al in de voorlopers van Koekoek, in Pallieter en Reinaert (in dit laatste werden de Filosofische Opstellen van Klein Pallieterken zelfs een tijd door Van den Berghe geillustreerd). Door zijn literaire aanpak tilde Minne het genre echter vér uit boven het politieke gekibbel waarvoor het vooral in Reinaert werd gebruikt. Minne kon zich zo goed vinden in het personage van Pierken de Spiegelleire – personage dat met een ongewassen naïeve blik naar de wereld keek en in het Gents, vol “toevallige” betekenisvolle spellingsfouten, met simpele redeneringen de fouten in de opvattingen van de volwassenen blootlegde –  dat hij, na het opdoeken van Koekoek, de Brieven bleef publiceren in Vooruit tot drie dagen voor zijn dood. 

Op De Brieven van Pierken na bevatte Koekoek nauwelijks teksten van enig literair belang. Het blad wilde vooral tekstgenres of concrete teksten satirisch parodiëren; aan de literaire waarde van het resultaat werd weinig zorg besteed. Koekoek was vooral boeiend door de subtiele prikjes die de letterkundigen binnen de redactie uitdeelden naar andere eigentijdse schrijvers, naar Urbain van de Voorde, Wies Moens en Jef Mennekens bijvoorbeeld.
Van de Voordes humanitair expressionistische gedichten waren helemaal niet aan Minne besteed en dat liet laatstgenoemde duidelijk blijken in zijn Brieven van Pierken. Van de Voorde werd er opgevoerd als belichaming van de hoog verheven dichter, meestal met een spottende toevoeging zoals “Ten is iedereen nie gegeeve van daar tfijn van te snappe maar afijn tis ne stiel gelijk nen andere” (zie R.I.P. in Koekoek van 25 april 1935).
De toen zeer succesvolle Moens werd vanuit het socialistische kamp van Minne en Herreman omschreven en getekend als het  pukkelige schildknaapje van Joris van Severen.
De derde vaste schietschijf, Jef Mennekens, was de oer-traditionele dichter en toneelauteur die in de Brieven tussen 1931 en 1935 minstens twintig keer werd vernoemd: Pierken vergeleek alles wat enigszins vaderlands, “artiestiek”, troostend of typisch Vlaams te noemen was met de “faderlandsche gedichten van Zef Mennekes”. 

Over de redenen voor het stopzetten van Koekoek na de vierde jaargang is niet veel bekend. Aannemelijk is dat de redactie het simpelweg te druk had met het dagblad Vooruit om ook nog eens een  weekblad vol te schrijven. De eerste prioriteit van de Koekoekers Crommen, Hamers en Minne ging naar de krant. Elk van de drie laatstgenoemden had er sinds 1931 tijdrovende verantwoordelijkheden bijgekregen. Gaston Crommen moest vanaf 1933 zijn krantenwerk combineren met het burgemeesterschap van Ledeberg. George Hamers maakte vanaf 1932 deel uit van de redactie van A.B.C (een ander bijblad van Vooruit). Minne kloeg al in 1932, in een brief aan Herreman, over de tijd die hij in Koekoek moest stoppen: “ge kunt toch niet beweren dat die vooze eieren, die we wekelijks in Koekoek leggen, de gemeenschap onderhouden. Overigens, die hongerige vogel loopt met veel te veel tijd, en kostelijke tijd, weg, om er vriendelijker over te spreken” (brief bewaard in het AMVC/Letterenhuis, ref.: M656/B nr. 88831/164). Vanaf 1933 schreef Minne bovendien – in de rubriek Geestesleven van Vooruit –  wekelijks over de hem zo dierbare Franse literatuur; daardoor bleef er nog minder tijd over voor Koekoek. Minne zal dus zeker niet ontroostbaar geweest zijn toen Koekoek in 1935 werd stopgezet.

[Vincent Neyt]

Over Koekoek: