terug naar index
Arsenaal

Tijdschrift voor letterkunde (1945-1950) 

Kort na de bevrijding, op initiatief van Rik Lanckrock en Remi Boeckaert door een groep jongeren gesticht literair tijdschrift waarvan Lanckrock de leider was. Het werd gedrukt door de gebroeders Hussein te Gent. Het bestond zes jaargangen, aanvankelijk met elf, later met zes afleveringen per jaargang.  

Volgens de “inleiding” bij de allereerste aflevering wilde Arsenaal zich – in een geest van openheid en pluralisme – afzetten tegen het “dilettantisme waaraan onze literatuur dreigde ten onder te gaan” en tegen “een modern bombast, dat met beelden als fusees, opalen, winden en hinden goochelde”. Het streefde “enerzijds naar een meer psychologische kunst, anderzijds [naar] een sobere, expressieve vorm”. Daarbij werd verwezen naar Johan Daisnes leuze “Poëzie uit en voor het leven!” en wilde men aanleunen bij de “Van Nu en Straksers”.  

Arsenaal publiceerde vooral poëzie en kritische bijdragen. Poëzie werd geleverd door o.m. Pieter Aerts, Paul Berkenman, Willy Biliet, Albert Bontridder, Marc Braet, Johan Daisne, Rik Lanckrock (ook onder ps. van M. Ryckaert), Maurits de Doncker, Albert de Longie, Michel van der Plas, Pieter de Prins, Erik van Ruysbeek, Jan Schepens en Roger van de Velde. Proza bracht het van o.m. Pieter Aerts, Willy Biliet, Hugo Claus, Rik Lanckrock en Jan Walravens. De meeste van de bovengenoemden publiceerden ook kritische bijdragen. In elk nummer wilde men bovendien een kennismaking bieden met een jong plastisch kunstenaar “die durf, gave en karakter verenigt”.  

In de rand van het tijdschrift werden enkele literaire avonden georganiseerd, vooral in de toenmalige Gentse Stadsbibliotheek aan de Ottogracht. Tevens werden een aantal zelfstandige publicaties uitgegeven, zo bijvoorbeeld Confrontatie Urbain van de Voorde - Marnix Gijsen (1946) en Torment-sonate (1947) van Rik Lanckrock, Karel Jonckheere als dichter (1947) van Erik van Ruysbeek, Uit hart en geest (1947) van Willy Biliet, Het verzuurde hart (1947) van Remi Boeckaert, Hors d’oeuvre (1947) en Orpheus achterna van Paul Berkenman (die voor het laatstgenoemde in 1950 de letterkundige prijs van de stad Gent kreeg).
In 1951, nadat het tijdschrift feitelijk reeds was gestopt, kregen de abonnees nog een “Ad valorem : critisch cahier van Arsenaal”, gepresenteerd als “nr. 1 van de 7de jaargang, januari-maart 1951”, met de resultaten van een enquête bij negen auteurs, naar stand van de moderne Vlaamse literatuur. En in hetzelfde jaar verscheen nog de bundel Opgang van Paul Berkenman.  

Het belang van Arsenaal lag vooral in de mogelijkheid die het tal van jongeren van uiteenlopende strekking bood om meteen na de oorlog te publiceren, een aantal onder hen zelfs om te debuteren. Vergeleken bij andere jongerentijdschriften uit die tijd, kende Arsenaal relatief lang, en beslist opgemerkt bestaan. Het volgehouden pluralisme van het tijdschrift werd in toen nog geheel verzuild cultureel Vlaanderen alleszins niet algemeen geäpprecieerd. Vooral het in Aalst, Antwerpen en vervolgens in Tielt uitgegeven jongerentijdschrift Nieuwe stemmen (dat zich ooit “radikaal katholiek” noemde) voerde – in bijdragen van zijn hoofdredacteur Albert Van den Daele – een ware hetze tegen het Gentse tijdschrtift. 

Uiteindelijk ging Arsenaal ten onder aan een gebrek aan middelen. Verscheidene medewerkers vond men nadien terug als medewerkers van het tijdschrift Meridiaan. 

[Frans Heymans]

Over Arsenaal: