terug naar index
Willems, Jan Frans

(Boechout, 11.03.1793 - Gent, 24.06.1846)  

Autodidact, dichter, toneelschrijver, (literair-)historicus, tekstuitgever en essayist, pionier van de Vlaamse Beweging en vroege verdediger van de Nederlandse taal in een door de francofonie beheerst België. 

Willems’ streven en werk kan onmogelijk los worden gezien van de algemeen-maatschappelijke en culturele situatie in Vlaanderen in de eerste decennia van de 19de eeuw. Tijdens de Franse overheersing (Napoleon, tot 1815) waren alle overheden verfranst en wie macht en aanzien had gebruikte die taal.
Na de Belgische Onafhankelijkheid werd de verfransing vanuit Brussel verhevigd georganiseerd.   

Zijn “vóór-Gentse” periode 

Geboren in een armoedig gezin, genoot hij lager onderwijs in een kostschool te Kontich. Van omstreeks 1805 kreeg hij huisonderwijs in het Lierse gezin van Georg Bergmann (grootvader van Anton, Tony), belezen intellectueel, protestant en orangist (d.i. aanhanger van het huis van Oranje). Hij kreeg er zijn eerste lessen Latijn, zang en orgelspel. Daar werd de basis gelegd van zijn liefde voor de moedertaal, zijn talenkennis, zijn verdraagzaamheid op religieus gebied, zijn orangistisch besef van de aloude eenheid der Nederlanden. Om zijn opvallend duidelijke stem mocht hij als knaap acteren bij de rederijkerskamer De Cecilianen. Uit die tijd dateert zijn oudste bewaarde gedicht, een satire op de “maire” van Boechout die zijn vader in 1807 wegens onvoldoende kennis van het Frans had ontslagen.  

Begin 1809 werd hij klerk bij een Antwerpse notaris die zijn reeds in Lier ontloken belangstelling voor de poëzie en het toneel steunde. Hij werd  lid van het Tael- en Dichtlievend Schoolonderwijsgezelschap Tot Nut der Jeugd, vertaalde poëzie uit het Latijn, het Frans en het Duits, schreef anacreontische poëzie (d.i. de goede dingen des levens bezingend) én essays waarin hij poogde een nationaal gevoel te stimuleren.
In 1812 behaalde hij met zijn Lofdicht op de slag van Friedland en de vrede van Tilsit de eerste prijs in een wedstrijd, uitgeschreven door de Gentse rederijkerskamer De Fonteine.  

Toen Tot Nut der Jeugd een toneelgroep werd, schreef hij stukken als Den ryken Antwerpenaar (1815) en Quinten Matsys (1816) waarin hij polemisch de spot dreef met het kromfrans van de Vlaamse snobs.  

Tijdens de jaren 1816-1821 was hij hulparchivaris in het Antwerpse stadhuis en tegelijk klerk bij de Antwerpse ontvanger der registratie. In die tijd maakte hij zich vertrouwd met het ontcijferen van oud geschrift. 

Na zijn huwelijk in 1818, met de bemiddelde Isabella Borrekens, kreeg hij toegang tot de hogere burgerij. In datzelfde jaar verwierf hij bekendheid in Noord en Zuid met zijn gedicht Aen de Belgen – Aux Belges (1818) waarin hij het Nederlands als landstaal en de Nederlanden als vaderland bepleitte.  

Rond de jaren 1820 zou hij geleidelijk aan minder (weliswaar strijdbare) poëzie schrijven om zich meer op de filologie en de studie van de literatuur en van oude, middelnederlandse teksten toe te leggen. 

In 1821 werd hij zelf ontvanger bij de registratie. Zijn in afleveringen (1819-1824) verschenen Verhandeling over de Nederduytsche Tael- en Letterkunde opzigtelyk de Zuidelyke Provintiën der Nederlanden was de eerste literaire geschiedenis van Vlaanderen. Het verhoogde zijn aanzien nog. Zijn Mengelingen van historisch-vaderlandschen inhoud (in afleveringen van 1827 tot 1830) was vooral belangrijk voor de uitgave van oude teksten. 

In 1830 werd hij – wegens zijn orangistische ideeën – door de regering als ontvanger overgeplaatst (“verbannen”) naar Eeklo. Daar verrichtte hij op vier jaar tijd uitgebreid wetenschappelijk werk dat zijn jaren te Gent voorbereidde. Zo copieerde hij, als eerste, uit het later beroemd geworden Hulthemse handschrift. Uit Lodewijk van Velthems Spieghel historiael haalde hij de spottende Voorzegging van de Heylige Hildegarde omtrent de Belgische Omwenteling (1831, tekstuitgave en polemiek). In 1834 publiceerde hij een moderne bewerking van Reinaert de Vos, naer de oudste beryming. 

Zijn Gentse jaren        

In 1835 werd Willems ambtelijk in ere hersteld en van Eeklo naar Gent overgeplaatst. Hij vestigde zich op de Zandberg waar hij woonde tot aan zijn dood. Zijn reputatie was inmiddels zodanig gevestigd, dat hij al in 1834 was opgenomen in de Commision royale d’histoire. Het jaar nadien werd hij als lid van de Académie royale de Belgique aanvaard en daar werd hij meer en meer beschouwd als een – zoniet de enige – gezaghebbende vertegenwoordiger van de Vlaamse literatuur.    

Geleidelijk aan wist hij een aantal jongeren voor zijn zaak te winnen: Prudens van Duyse, Ferdinand August Snellaert, Karel Lodewijk Ledeganck, Philip Blommaert, Constant Philip Serrure, Frans Rens en Jules de Saint-Genois. Samen met hem zouden zij een netwerk vormen van overtuigde voorstanders van het Nederlands, o.m. in de administratie, het gerecht, het leger, en in allerlei sociale organisaties. Willems was inspirator én leider van deze Gentse groep die het woord van Van Duyse, “De tael is gansch het Volk” als adagio hanteerde. 

De in 1836 in Brussel opgerichte Maetschappy tot Bevordering van de Nederduitsche Tael- en Letterkunde vertrouwde hem de leiding toe van het in Gent (bij F. en B. Gyselinck, Kamstraat, nu Kammerstraat) uitgegeven Belgisch Museum. Hij drukte zijn stempel op dit tijdschrift, organisatorisch maar ook met een hoog aantal eigen literair-historische bijdragen en tekstuigaven, met talloze bijdragen over bv. de spraakkunst, het dialect, oude ambtelijke documenten, oude spreuken en gezegden, middelnederlandse liederen, de rederijkerskamers in Vlaamse steden, niet het minst in Gent.
Inmiddels was hij nauw betrokken bij het Gentse culturele leven. Zo was hij hoofdman van de rederijkerskamer De Fonteine, nam hij deel aan het koorleven, was hij lid van een aantal commissies en  stimuleerde hij het schrijven van Vlaamse toneelstukken, het vestigen van een eigen theatertraditie.  
 

Hij ging door met zijn literair-wetenschappelijk werk. Zo bezorgde hij o.m. in 1836 de Rymkroniek van Jan van Heeluy betreffende de slag van Woeringen van het jaer 1288 en in 1839-1840 de tweedelige tekstuitgave van De Brabantsche Yeesten, of Rymkroniek van Brabant, door Jan de Klerk. In 1845 volgde De eerste Bliscap van Maria : mysteriespel van 1444 

De man die al tijdens zijn leven “vader van de Vlaamse Beweging” werd genoemd, overleed in zijn woning aan de gevolgen van een hartinfarct dat hem trof na een oplopende discussie in het Gentse stadhuis, over een toneelopvoering door De Fonteine. Hij werd eerst begraven op het Dampoortkerkhof; in 1848 werd zijn stoffelijk overschot onder massale belangstelling bijgezet in een praalgraf op het Campo Santo (Sint-Amandsberg), op de heuvel die hij zelf vaak “Reinaertheuvel” noemde.
Postuum verschenen in 1848 zijn door Snellaert afgewerkte Oude Vlaemsche liederen ten deele met de melodien 

De nauwelijks te overschatten betekenis van Willems lag in het met succes op gang brengen van een beweging waarvan hij als onbetwiste leider een schare jonge “taelminnaeren” wist te motiveren. Als essayist en als overtuigend redenaar bepleitte hij onvermoeibaar de erkenning van het Nederlands en de heropleving van een Vlaams bewustzijn, dit laatste o.m. door het herontdekken van het culturele en vooral het literair-historische patrimonium van Vlaanderen. 

Blijvende aandacht 

Het aantal herdenkingsmanifestaties in Vlaanderen en tot op vandaag, is ontelbaar.
In Gent werd in 1851 het Willemsfonds gesticht. Op het Sint-Baafsplein werd een standbeeld voor hem opgericht. Aan zijn huis op de Zandberg werd een gedenkplaat aangebracht. Gent eerde hem met een straatnaam in de buurt van de Citadellaan. Aan de Vlaamse Kaai werd op het einde van de 19de eeuw een “villa” gebouwd die, hem ter ere, “Villa Jan Frans Willems” werd genoemd. Ze was versierd met een borstbeeld en met het opschrift “In het heden ligt de toekomst”. De gevel van deze villa werd veranderd rond 1970. Het Algemeen Nederlands Verbond was er jaren gevestigd. 

[Nicole Verschoore en Frans Heymans]

Over J.F. Willems :