terug naar index
Vuylsteke, Julius

(Gent, 10.11.1836 - Gent, 16.01.1903)

Advocaat, liberaal politicus, historicus, dichter, publicist en boekhandelaar. Vuylsteke werd geboren als Jules de Visscher en werd pas in 1851 als wettige zoon erkend na zijn moeders huwelijk met  Jourdan Maxime Vuylsteke, notariszoon en jurist bij het Gentse Hof van Beroep en liberaal gemeenteraadslid in Gent. Die behoorde tot de Franstalige Gentse burgerij.
Julius Vuylsteke brak als jongeman met het katholieke geloof en “bekeerde zich tot het Vlaams”.  Hij werd een vrijzinnig, strijdbaar antiklerikaal en een overtuigd pleitbezorger van het gebruik van het Nederlands in het openbare leven in Vlaanderen. Maar hij was ook zeer rechtlijnig, niet bang van polemiek of controverse en een geboren querulant die eerder verdeeldheid dan eenheid in de hand werkte. 

J. Vuylstekes jonge jaren in Gent

Hij woonde als kind op verschillende adressen, o.a. in de Druifstege, de Holstraat, de Kortrijksepoortstraat, Kalandenberg en de Ridderstraat. Na 1851 woonde hij op de Coupure 98 en Coupure Links 173, aan de Predikherenlei 7 en als boekhandelaar in de Koestraat 15.
Hij was een uitstekend student aan het atheneum van de Ottogracht. Zijn Vlaamsgezindheid werd sterk beïnvloed door zijn leraar Nederlands Jacob Heremans (1825-1884, zie het lemma). Net als zijn mentor ijverde Vuylsteke voor een “moderne” liberale en democratische Vlaamse Beweging en voor nauwe samenwerking met Nederland. Samen met enkele medeleerlingen richtte hij in 1852 de Heremanszonen op, een vrijzinnig genootschap dat snel uitgroeide tot ‘t Zal Wel Gaan.
Tussen 1853 en 1859 studeerde Vuylsteke rechten aan de Gentse universiteit, waar hij zich al vlug liet kennen als een voorvechter van de Vlaamse zaak. In 1853-54 ijverde hij met succes voor het herinvoeren van een cursus “littérature flamande” en onder zijn impuls evolueerde ‘t Zal Wel Gaan in Vlaamsgezinde en antiklerikale richting. Hij initieerde ook een jaarlijkse, gelijknamige (studenten-) Almanak, die vanaf 1854 verscheen.

Nederlandse taal en Gentse publicaties

Als redactiesecretaris gebruikte hij die om het liberale en antiklerikale gedachtegoed te verspreiden. Hij schreef er zelf romantische, Vlaamsgezinde poëzie voor (later gebundeld in Mijmeringen). Uit sommige gedichten, zoals een beschrijving van een optocht van Gentse textielarbeiders voor Leopold I in 1856, bleek een vage sociale bewogenheid. Later verschenen nog de bundels Zwijgende liefde (1860) en Uit het studentenleven en andere gedichten (1868).
Vuylstekes studentenjaren vielen samen met de groeiende strijd tussen liberalen en katholieken, die in Gent op het scherp van de snede werd uitgevochten. In deze context was er heel wat te doen over de “kloeke vrijzinnige en antipaapse geest” in de publicaties van ‘t Zal Wel Gaan. De Gentse bisschop Delebecque veroordeelde daarom in 1857 dat verdorven, antiklerikaal broeinest dat de universiteit en alles wat ermee samenhing in de ogen van de geestelijkheid was.

Vuylsteke werd al in 1854 lid van het Willemsfonds en bleef er zeer lang actief, eerst als algemeen secretaris (1862-1866 en 1867-1880) en later als voorzitter (1883-1896). Onder hem volgde het Willemsfonds eenzelfde evolutie als ’t Zal: van politiek neutraal naar strijdbaar vrijzinnig. Vuylsteke stimuleerde de uitgave van (liederen)boeken, de oprichting van volksbibliotheken en de organisatie van voordrachten en zangavonden.
In 1860 trad hij als werkend lid toe tot de maatschappij De Tael is gansch het Volk, die daardoor ook evolueerde tot liberaal en militant antiklerikaal. Al op jonge leeftijd woonde Vuylsteke trouw de Nederlandsche Taal- en Letterkundige Congressen bij. Hij zette zich met succes in voor het behoud van een gemeenschappelijke taal en spelling in Nederland en Vlaanderen. Net als zijn mentor Heremans was hij gewonnen voor een nauwe samenwerking met Nederland, maar dat betekende niet dat hij anti-Belgisch was.

Vuylsteke toonde zijn hele leven een grote belangstelling voor toneel. In zijn studententijd schreef hij enkele stukken, waarvan er slechts één bewaard is gebleven. Dat lyrisch drama Willem van Normandië behandelde de koppige houding van Gent tegenover de Fransen in 1128. Van zijn tweede stuk, Eene samenzwering in 1347, ging de tekst verloren. Met dit zangstuk behaalde hij wel de eerste prijs in een wedstrijd van de Brugse toneelgroep IJver en Broedermin. Zijn derde stuk, Cloekaert na Arteveldes dood, werd nooit afgewerkt. Vuylsteke deed geregeld zijn beklag over de bedroevende toestand van het Vlaamse toneel en hoopte dat een betere samenwerking met het Noorden ook in dit verband soelaas kon brengen.

J. Vuylsteke en de Gentse politiek

Van 1859 tot 1875 oefende Vuylsteke zonder veel enthousiasme het “kleingeestig” beroep van advocaat uit (dixit J.V.). Hij pleitte principieel altijd in het Nederlands, wat zijn praktijk, in het sterk verfranste Gent van de jaren 1860-1870, niet ten goede kwam. Zijn bekendste zaak was de verdediging van de Antwerpse diamantair Jakob Karsman, die in april 1863 een gedicht had gepubliceerd zonder de naam van de drukker te vermelden. [zie ook het overzichtsartikel “Nederlandse literatuur na de Belgische onafhankelijkheid”, red.] Met deze zaak werd het debat over het taalgebruik in rechtszaken heropend. Karsman werd veroordeeld maar voor de Vlaamse pers was “de onvermoeibare Vlaamse advocaat Vuylsteke” de grote held.

In 1861 had Vuylsteke zijn politieke standpunten al uiteengezet in La question flamande et le libéralisme. De bekende leuze “klauwaard en geus” vatte de verbondenheid van beide begrippen voor hem samen. Als reactie op de vorming van het Vlaamsch Verbond in 1861, dat vlaamsgezinden van alle strekkingen wilde verenigen, richtte hij in 1866 de Vlaamsche Liberale Vereeniging op. Daarmee kwam een einde aan de samenwerking tussen katholieke en liberale Vlaamsgezinden. Hij was ook de oprichter van en drijvende kracht achter het weekblad van laatstgenoemden, Volksbelang (°1867).

Vuylsteke verdedigde “De Vlaamse Beweging [als] een echte liberale, echt volksgezinde, echt vaderlandse zaak” en werd daardoor in oktober 1869 verkozen tot gemeenteraadslid in Gent. Hij gebruikte consequent het Nederlands, zowel bij het afleggen van de eed als tijdens de zittingen van de gemeenteraad. De grote verwachtingen werden niet ingelost, want zijn realisaties waren uitermate bescheiden. Zo verscheen het Gemeentebulletijn voortaan op enkele exemplaren ook in het Nederlands en realiseerde hij de financiële steun van het stadsbestuur voor beroepstoneel in de volkstaal. Hij slaagde er evenwel niet in de liberale partij te vervlaamsen, ze bleef in Gent een Franstalig bastion, mede doordat zijn partijgenoot en opponent François Laurent de verfransing in de stadsscholen steunde en Vuylsteke uit de stedelijke onderwijscommissie weerde.

Na verlies bij de parlementsverkiezingen en na afloop van zijn gemeentelijk mandaat trok Vuylsteke zich eind 1875 verbitterd terug uit de politiek en de advocatenpraktijk. Hij nam de boekhandel van Willem Rogghé in de Koestraat over. Later werd hij ook uitgever, legde zich toe op de geschiedenis van Vlaanderen en werkte in opdracht van de stad Gent vanaf 1896 aan een oorkondenboek, waarvan het eerste deel, de Gentse stads- en baljuwsrekeningen 1280-1336, in 1900 verscheen. (Victor Vander Haeghen en Alphonse van Werveke gaven later het vervolg uit voor de periode 1280-1315). Hij ontzenuwde ook de legende dat de draak op het Gentse belfort afkomstig zou zijn uit Constantinopel, door te bewijzen dat ze pas in 1377 werd vervaardigd voor 2.312 pond. Hij publiceerde ook over Jakob en Philips van Artevelde, de bouwgeschiedenis van het Gravensteen en hij onderzocht de wallen van de Sint-Baafsabdij. Zijn politieke redevoeringen, historische onderzoekingen, voordrachten, kritieken en tijdschriftbijdragen verschenen in vier volumes Verzamelde prozaschriften (1887-1891).

In 1886 trok hij zich volledig terug uit het openbare leven. Zijn laatste jaren waren somber, hij sukkelde met zijn gezondheid en had problemen met zijn zonen. In 1900 werd hij als lid van de Koninklijke Academie van België benoemd tot Ridder in de Leopoldsorde.
Dé grote vrijdenker werd op zijn sterfbed verzorgd door een uitgetreden non van de Bijloke! Op de dag van zijn begrafenis op de Westerbegraafplaats (19 januari 1903), werd  – na een geldinzameling van 26.000 frs  – het Vuylstekefonds opgericht, met als doel “goedkoope Vlaamsche liberale boeken uit te geven en onder het volk te verspreiden”. Tussen 1905 en 1919 verschenen elf publicaties; het eerste was Klauwaard en Geus: bloemlezing uit de politieke prozageschriften en gedichten van J. Vuylsteke.

[Maria de Waele]

Over J. Vuylsteke: