terug naar index
Verpale, Eriek

(Zelzate, 02.02.1952 - Ertvelde, 10.08.2015)

Pseudoniem van Eric Verpaele. Verpales overgrootmoeder, “de Jiddische”, was van Pools-Joodse afkomst. De chassidische wereld en de Oost-Europese literatuur spelen een belangrijke rol in zijn werk.
Hij zat zes jaar op kostschool in Oostakker, studeerde korte tijd Germaanse filologie en Slavistiek (RUG) en woonde op kamers in Gent. Hij was redacteur van Koebel, medewerker aan diverse literaire tijdschriften en aan het Belgisch-Israëlitisch Weekblad. Hij debuteerde met neoromantische Polder- en andere gedichten (1975) en won met Op de trappen van Algiers (1980) de literaire prijs van de Stad Gent. In 1994 verscheen de gedichtenverzameling Nachten van Beiroet.
Zijn autobiografisch proza, dat soms neigt naar fantastisch realisme, is inmiddels veel bekender. De bescheiden verhalenbundel Een meisje uit Odessa (1979) werd in 1990 gevolgd door het brievenboek Alles in het klein (prijs Provincie Oost-Vlaanderen en NCR Literair 1992). Onder vier ogen (1992) schreef hij samen met Luuk Gruwez. Daarna volgden succesvolle theatermonologen voor acteur Bob de Moor: Olivetti 82 (1993), Grasland (1996) en Voor u geknipt. Uit zijn zwartste periode verzamelde hij “nagelbrieven” en tekeningen in De pattaten zijn geschild (1998). Gitta (1997) is een korte, ironische roman; Katse nachten (2000) omspant de levensperiode in zijn woning in West-Zelzate (2000, nominatie ECI-prijs).
Verpale brengt sporen van de joodse cultuur en de Vlaamse werkelijkheid samen met persoonlijke obsessies. De onmacht van de schrijver in een ongrijpbare realiteit en het verlangen naar het (ook gevreesde) andere en vreemde zijn hoofdthema’s. Het eigen ik bestrijkt daarbij een regio van Klein Rusland (Zelzate) tot ontelbare meisjeskamers in Gent, van Proust en Isaak Babel tot het café van “moeder Zulma”.

E. Verpale en Gent

Hoewel Verpales werk veel realistische herkenningspunten bevat, is zijn wereld die van de innerlijkheid. De Gentse buurten spiegelen vooral de gemoedstoestand van zijn personages. Alles in het klein behelst de zwerftocht van een ontheemde student door vele problematische liefdes langs tientallen plekken in Gent, van zijn studentenkamer in de Baudelostraat (dicht bij de Bibliotheek aan de Ottogracht) tot de bordelen van het Zuidkwartier. Oude cité-woningen contrasteren met comfortabele flatjes in Nieuw-Gent, een studentenasiel “in de schaduw van de boekentoren” met de sfeer van migrantencafés in de Oudburg en alternatievelingen in het Patershol.

Grasland, het tragikomisch portret van een Elvis-fan, bevat één kort uitgewerkte locatie, een cité aan de Muide in de jaren 1970 die fel afsteekt tegen de danszalen aan de Zuid en de Dampoort.

In Olivetti 82 volgen we het personage Verpale door het Gent van de jaren 1970: van de Ottogracht naar cinema Capitole en ‘t Kantientje op het Wilsonplein; langs het aftakelende Coliseum en de opbloeiende Studioskoop; naar de Oude Beestenmarkt en de migrantenbuurt; de tocht eindigt in sexcinema Paris aan de Dampoort. Opmerkelijke Gentse figuren zijn Jacob van Artevelde en John Massis, de Antwerps sprekende professor Schrickx en Nathalie S., het meisje dat op 8 december 1977 in Gent naast Verpale meeliep in een fakkeltocht voor de Joods-Russische dissident Anatoli Tsjaranski.

In het Siamees dagboek Onder vier ogen treffen we boekhandel Walry aan, café Pygmalion, de Gentse fotograaf Michiel Hendryckx en het boudoir van studente Annabel in een “Bloomsbury-achtig huis” nabij het stadspark.

Katse nachten is een deels fictionele, deels documentaire briefroman. Naast de suïcidale auteurs Jan Emiel Daele en Restant-mederedacteur Jotie t’Hooft, leren we daarin twee Gentse dichters van Verpales generatie kennen: Koebel-stichter Roel Richelieu van Londersele (“de kardinaal”) en M., “onze Dichtende Russiese Prinses” (Miriam van Hee). Eriek lijdt onder de schoolrituelen, de “broeders” en de kindermishandeling in de katholieke kostschool in Oostakker. Vader Verpale is chauffeur voor de Gentse brouwerij Meiresonne. Een opmerkelijke passage is nog gewijd aan een stinkend rijke antiekhandelaar in Gent (met een knipoog naar Proust de familie Swann genoemd): in hun “overladen” Gentse burgerwoning is Erieks moeder poetsvrouw, zijn “Nonkel Punaise” meubelrestaurateur, de jonge Eriek zelf wordt ingezet om de hele collectie wapens en harnassen in hun volgestouwde château tussen Nevele en Landegem op te blinken.

In de bijdrage De wereld heeft haar versierselen afgedaan, in Gent, de dubbelzinnige (2000, p.167-184) kijkt Eriek Verpale anno 1999 om naar de auteurs die hem in Gent zijn voorafgegaan (Pierre Louÿs, Jean Ray, Louis Paul Boon...) en wandelen we met hem en zijn nieuwe date Delphine nog eens door Gent, van het St-Pietersstation naar de Vooruit-redactie, langs de Minard en cinema Savoy, naar het Galgenhuisje en ’t Kantientje en bezoeken we diverse boekhandels: allemaal persoonlijke vluchtheuvels in de realiteit van Eriek Verpale.

[Jean-Paul den Haerynck]

Over E. Verpale: