terug naar index
Van Peene, Hippoliet

(Kaprijke, 01.01.1811 - Gent, 19.02.1864)  

Geneesheer, toneelschrijver, regisseur en publicist. Het stond in de familiale traditie geschreven dat Hippoliet van Peene ofwel medicus zou worden, ofwel zijn weg in de toneelwereld zou zoeken. Zijn grootvader – onderwijzer, medicus en politicus – stichtte in Boekhout een rederijkerskamer. Zijn vader was als medicus een tijdlang verbonden aan het militair hospitaal te Gent en had achtereenvervolgens een praktijk in Gent, Lovendegem, Boekhoute en Drongen. Een oom stichtte in Assenede een letterkundig genootschap. Diens zoon werkte mee aan het Nederduitsch letterkundig jaarboekje. 

Hippoliet van Peene schreef meer dan zestig populaire, burgerlijke en historische zang- en blijspelen, drama’s, kluchten en parodieën, grotendeels in het Nederlands, maar ook in het Frans. Grosso modo kan zijn toneelwerk worden ingedeeld in drie categorieën.
Vooreerst waren er een aantal zogenaamde “Parijse” stukken, vervlaamste vaudevilles en komedies waarvan hij de handeling verplaatste naar Vlaanderen, veelal naar Gent. Voorbeelden hiervan zijn De twee echtscheidingen (1845) en De wereld binnen tienduizend jaar (1858).
Aan de Vlaamse literatuur ontleende hij stukken als Keizer Karel en de Berchemsche boer (1841, zijn eerste Nederlandse blijspel, naar Prudens Van Duyse), Siska van Roosemael (1844, naar Hendrik Conscience) en Jellen en Mietje (1858, naar Karel Broeckaert).
Historische drama’s waren Jacob van Artevelde (1841, bij de opvoering door Broedermin speelde Van Peene geregeld de rol van Geeraard Denijs, Arteveldes moordenaar), Mathias de beeldstormer (1858) en zijn Franstalige opera Charles Quint (1857, met muziek van Karel Miry). Met zijn Jacob van Artevelde behoorde Van Peene alleszins tot de vroege 19de-eeuwse pleitbezorgers voor Arteveldes historische rehabilitatie. Voor Mathias de beeldstormer kreeg hij als eerste de driejaarlijkse staatsprijs voor Vlaamse toneelletterkunde.
In het Frans schreef hij o.m. de opera’s Jacques d’ Artevelde  (1846) en Charles Quint (1857).
Zijn Volledige werken werden in 1881-1883 door Snoeck-Ducaju en Zoon uitgegeven in 61 delen.
Tenslotte was hij ook nog de auteur van het volkslied De Vlaamsche Leeuw (1847) dat werd getoonzet door Karel Miry. 

H. van Peene en Gent 

Reeds op zeer jonge leeftijd (vanaf 1812) verbleef hij bij zijn grootmoeder in Gent, nadien woonde hij in Lovendegem, nog wat later in Drongen en vanaf 1831 definitief in Gent. Na zijn Atheneumtijd in Gent studeerde hij er aan de universiteit en werd er in 1835 doctor in de geneeskunde. In datzelfde jaar vestigde hij zich in de Twaalfkameren met de bedoeling, er een dokterspraktijk uit te bouwen. Dit werd geen succes: hij legde zich meer en meer toe op zijn toneelwerk. In december 1837, na zijn huwelijk met de actrice en zangeres Virginie Miry (tante van toondichter Karel Miry) verhuisden zij naar de Elisabethgracht. In 1840 trokken zij naar de Peperstraat, begin 1847 naar de Wijngaardstraat en in 1850 naar de Savaanstraat. 

Tijdens zijn studententijd bleek al zijn interesse voor het toneel. In het begin van de jaren 1830 werkte hij (dan nog als muzikaal begeleider, tweede violist!) mee aan het amateurgezelschap Yver Doet Leeren. In herberg De Dry Hoefyzers in Mariakerke voerden zij vooral uit het Frans vertaalde blijspelen op.
Samen met enkele afgescheurde leden van De Fonteine richtte hij het toneelgezelschap Les Bons Amis of De Ware Vrienden op, een amateurgroep waarvan Van Peene voorzitter werd en die  onder zijn leiding Vlaamse en uit het Frans vertaalde blij- en kluchtspelen opvoerde. Daar werd zijn eerste stuk Le choléra (ca. 1833) voor het voetlicht gebracht. Aanvankelijk speelde men in hotel Den Duytsch, gelegen bij Sint Jacobs, later in zaal Flora, in de Holstraat. 

Toen de groep in 1840 deelnam aan een toneelwedstrijd in Oostende, speelden zij (met o.m. Van Peene zelf, zijn vrouw Virginie Miry en Karel Ondereet) onder de benaming Broedermin en Taelyver. Aangemoedigd door hun succes bij die wedstrijd, gaven zij in het seizoen 1841-1842 een reeks vertoningen in zaal Parnassus (aan de Gentse Houtlei). Zo ontstond de Maatschappij van Letter- en Toneelkunde Broedermin en Taelyver die vanaf 1849 de titel “Koninklijk” mocht dragen. Van Peene was er de drijvende kracht van.  

Een belangrijke anekdote verdient hier een vermelding. In 1846 overtuigden Van Peene, Ondereet en enkele andere leden van Broedermin, bouwmeester Louis Minard om een (Vlaamse) schouwburg te bouwen. Er was in Gent inderdaad geen enkele andere behoorlijke zaal waar Vlaamse toneelgroepen terecht konden. Vanaf de opening van de Minardschouwburg (op 27 juni 1847) in de Walpoortstraat, speelde Broedermin daar en concipieerde Van Peene zijn stukken speciaal voor de mogelijkheden van deze zaal. De openingsplechtigheid van de “Minard” (de eerste vaste Vlaamse toneelzaal!) werd opgeluisterd door de opvoering van zijn Brigitta of de twee vondelingen, een zangspel in drie bedrijven.  

Zijn weergaloos succes bij het publiek en bij toneelspelend Vlaanderen, en zijn staatsprijs ten spijt, was de literaire kwaliteit van zijn werken beslist niet zijn eerste bekommernis. Veel van zijn werken ademen technisch de Franse trant. Zelden overstijgen ze het niveau van het amusementstoneel, geschreven als ze zijn naar de smaak van het volkse publiek dat in de schouwburg vooral ontspanning, vermaak, een avondje luidruchtig joelen zocht. Zijn stukken hebben bovendien weinig psychologisch diepgang; zijn historische werken zijn nauwelijks onderbouwd. Hij zette enkel ongenuanceerd goede en ongenuanceerd slechte personages op de scène en zijn verraders, “valschaards”, zijn steevast Franstaligen. Kortom, een amalgaam dat door Carlos Tindemans “brulflamingantisme” werd genoemd. 

Niettemin wordt Van Peene (met de Gentenaar Karel Ondereet en de Antwerpenaar Emmanuel Rosseels) vandaag beschouwd als de man die zorgde voor de “wedergeboorte van het Vlaamse toneel”. Zijn verdienste lag er vooral in, dat hij bij een breed publiek belangstelling wekte voor het Vlaamse toneel, net zoals Conscience dat deed voor het Vlaamse proza. In Gent luidde hij het ontstaan van een Nederlandstalige toneeltraditie in. 

Tenslotte zorgde hij voor een indrukwekkend aantal Nederlandstalige stukken die – mét hun gebreken – nagenoeg tot aan de Eerste Wereldoorlog in alle Vlaamse schouwburgen, zalen en zaaltjes werden gespeeld. En dat had ook zijn consequenties want het gegarandeerd succes bemoeilijkte zonder twijfel de modernisering van het toneel in Vlaanderen. 

Zijn volkslied De Vlaamsche Leeuw werd voor de eerste maal gezongen door Karel Ondereet, in de Gentse zaal “Parnassus”. Aanvankelijk nam men aan dat Van Peene zijn Vlaamsche Leeuw in 1845 schreef toen hij in de Peperstraat woonde. Een gedenkplaat aan dat huis herinnert daaraan. Later onderzoek (zie Ada Deprez) wees uit dat hij het in 1847 schreef toen hij in de Wijngaardstraat woonde. 

Met veel luister werd hij op zondag 21 februari begraven op de Zuiderbegraafplaats Heuvelpoort (Ottergemsesteenweg) (pl. 1-33). Met evenveel luister werd daar op 16 juli 1865 een gedenkteken ingehuldigd. Tijdens een galavoorstelling in 1902 werd een borstbeeld van hem (en een ander van Napoleon Destanberg) aangebracht in de pas opgerichte Nederlandse Schouwburg. Aan de Vlaamse Kaai staat nog een in 1898 gebouwde “villa” (thans nr. 90) die, beiden ter ere, “Villa H. van Peene” en “Villa Karel Miry” is genoemd. Ze is versierd met reliëfs met de beeltenis van beide kunstenaars en met het opschrift Door hun zangen leerden zij hun volk / zijne taal en zijn land liefhebben. Zie hierover onder “Vlaamse Kaai”.
In Mariakerke, aan de Brugsevaart (het huis met het huidig nr. 82, waar vroeger herberg De Dry Hoefyzers stond) werd in 1971 een plaket aangebracht met de tekst Hier werd in 1836 door H. van Peene en F.E. Lauwers Rederijkerskamer “Yver doet Leeren” gesticht.

[Frans Heymans]

Over H. Van Peene: