terug naar index
Van den Oever, Karel

(Antwerpen, 19.11.1879 - Antwerpen, 06.10.1926)

Dichter, prozaschrijver, toneelauteur en essayist. Gestart bij een anarchistische groep (De Alvoorder), bekeerde hij zich na een zware ziekte tot een onwankelbaar, zoniet fanatiek geloofsijveraar, “geduchte boswachter van den Heer” (aldus Gerard Walschap), “Roomse ketterjager en rigoureus moralist” (Marnix Gijsen). Daarnaast was hij een vurig voorstander van de Groot-Nederlandse gedachte.

Hij werkte mee aan talrijke tijdschriften en dagbladen, o.m. aan Alvoorder, Vlaamsche Arbeid (waarvan hij medestichter was), Dietsche warande en Belfort en De Standaard.
Literair doorliep hij een gevarieerd parcours. Hij debuteerde met symbolistisch proza, In schemergloed der morgenverte (1901). Zijn jeugdpoëzie was sentimenteel, dweperig, o.m. in Kempense vertelsels (1905). Daarna volgde een barokke periode met proza in een archaïsch Nederlands en nabootsingen van 17de-eeuwse poëzie, bv. in De Geuzenstad en De lof van Antwerpen (beide 1911), lof die hij ten andere veelduldig zou zingen. Tenslotte ging hij over naar het expressionisme bv. met o.m. Het inwendige leven van Paul (1923) over de confrontatie met de buitenwereld van een naar God zoekende, wereldvreemde mens; het wordt als zijn belangrijkste werk beschouwd – en met de bundel Paviljoen (1926) waarin vooral het gedicht Dinska Bronska de aandacht trok.
Veel later, in 1985, werd zijn Verzameld werk gepubliceerd.

K. van den Oever en Gent

Zijn bundel Het drievuldig beeld (1907) bevat een cyclus, getiteld De oude steden (ook opgenomen in zijn Verzameld werk (1985, dl. 2, p. 253 e.v.). Hierin vallen zijn zin voor het oude en zijn aandacht voor de luisterrijke traditie van de oude stad op.
Twee gedichten zijn aan Gent gewijd: Aan Gent en Beregend Gent. Beide geven ze een triestig beeld van de stad: het eerste biedt een plastische beschrijving van de Gentse geschiedenis, het tweede een weinig positieve kijk op het Gent bij het begin van de 20e eeuw, lees maar:

(...) Fabriekenschouwen roeten in uw regenlucht
en ’t vrijste volk wroet traag met enge en wrange moeite
wat tiental Walsen rijk… en Gent vecht niet, maar zucht. (...)

[Sabine Melckebeke]

Over K. van den Oever: