terug naar index
Van de Woestyne, Gustave

(Gent, 02.08.1881- Ukkel, 21.04.1947)

Kunstschilder en broer van letterkundige Karel van de Woestijne. Behoorde tot de zogenaamde eerste groep van Sint-Martens-Latem, ook Latemse School genoemd. Hij doceerde schilderkunst in Antwerpen en Brussel en was directeur van de Academie voor Schone Kunsten van Mechelen. Zijn oeuvre is omschreven als symbolisch, neorealistisch en expressionistisch.
Op literair vlak schreef hij één werk, Karel en ik, dat pas in 1979 werd uitgegeven. Door Karel leerde Gustave immers het Gentse artistieke en intellectuele milieu kennen en werd hij al op jonge leeftijd ingewijd in literatuur, plastische kunsten en klassieke muziek.
Het eerste deel speelt vooral in Gent, het tweede beslaat de memento van de Latemse jaren en daarna. Het boek geeft een goed beeld van het dagelijks leven van de broers, hun werkzaamheden en de vriendschappen met andere kunstenaars, zoals Valerius de Saedeleer, George Minne, Julius de Praetere en Albijn van den Abeele. Het gezonde buitenleven in Latem deed Gustave opleven. De werkijver, de intensieve omgang met Minne en de stervensbegeleiding van de plaatselijke boeren die hij op zich nam, bevorderden zijn geestelijke rijping en artistieke ontplooiing.
De jaren 1904 tot 1929 komen in Karel en ik maar summier aan bod, o.a. in enkele brieven. Het gezin van Gustave verhuisde immers achtereenvolgens naar Leuven, Etterbeek en het West-Vlaamse, rurale Tiegem. Tijdens W.O.I vluchtte hij naar Wales, waar hij als balling actief deelnam aan het culturele leven. De familie keerde pas in 1919 terug naar België.

G. van de Woestyne en Gent

Gustave werd geboren in de Sint-Lievensstraat (nu: Sint-Lievenspoortstraat 264), een groot burgerhuis dat reeds voor W.O.I werd afgebroken. Twee jaar later verhuisde het gezin naar de Slijpstraat 98 (Sleepstraat), door Gustave ervaren als een “stil en somber huis met veel trapkens op en af ”. Vanaf 1888 woonde het gezin in het nieuw opgetrokken huis met koetspoort (Sleepstraat 170) waar Gustaves vader ook een koperslagerij vestigde.
Hij liep eerst school bij de “maseurkes”, samen met zijn twee jaar oudere broer Eduard, en volgde lager onderwijs in het Institut Central, een Franstalige privéschool in de nu verdwenen Sint-Jansdreef nabij de Sint-Baafskathedraal. Van 1895 tot 1898 volgde hij de moderne humaniora aan het Koninklijke Atheneum aan de Ottogracht.
Het tekentalent en de belangstelling voor plastische kunsten van de jonge Gustave werden door zijn broer Karel nog aangewakkerd. Twaalf jaar oud loog hij zijn moeder voor met Karel elke zondag de elfuurmis in de parochiekerk Heilig Kerst (Sint Salvatorkerk) bij te wonen, hoewel ze getweeën nabij de Augustijnenkerk telkens de Academie voor Schone Kunsten binnenglipten en op de terugweg het Museum van Oudheidkunde in de Lange Steenstraat. Gustaves artistieke gaven werden in de Gentse Academie aangescherpt, o.a. bij Ferdinand Willaert (1895-96), Jean Delvin (1896-97) en Jules van Biesbroeck sr. (1897-98). Om gezondheidsredenen trok Gustave vroegtijdig uit Gent weg om in de zuivere lucht van Sint-Martens-Latem zijn broer Karel te vervoegen.

Karel en ik: herinneringen

Zoals de titel doet vermoeden, staat de innige relatie van Gustave met zijn broer centraal. Hij schreef deze smakelijke anekdotes uit hun Gentse jeugdjaren en activiteiten in Latem, omstreeks 1934, ruim vijf jaar na het overlijden van Karel. Vooral het eerste deel van de memoires speelt zich af in de huiselijke sfeer en focust op het karakter en de activiteiten van de dichter in spe en op veel Gentse locaties.
Tot de verbeelding sprak bijvoorbeeld het donkere huis van zijn grootouders van moederskant, gelegen tegenover het Justitiepaleis: met een (altijd gesloten) deur die uitkwam op de Leie, maar die   ̶  eens open   ̶  de broers voor altijd verbond bij het kijken “naar dat geheimzinnig diep en donker water”.

Na het onverwachte overlijden van zijn vader in 1890 kwam Gustave onder de strenge hoede van Karel, getuige de represailles die de tienjarige kreeg toen hij ontsnapte naar de lusthof “Groene Boomgaard” in Drongen. Toch kregen de kinderen Van de Woestyne een gedegen culturele opvoeding: pianolessen aan huis van Jules Verhasselt (organist Sint-Jacobskerk), twee maal per week een voorstelling in de Minardschouwburg (waar Gustave meestal in slaap viel). Geregeld woonden ze theatervoorstellingen in de Koninklijke Nederlandse Schouwburg bij, waar Gustave vooral oog had voor details als het medaillon in de hand van Jan Frans Willems, waarop een naakte jongeling afgebeeld staat (in de Genste volksmond de “blote pompier”; later ingewerkt in de fontein voor de KNS).

Verder tekende Gustave zo diverse uitstapjes op als naar het carnavalsfeest op de Kouter, naar de patisserie van Mme. Geirnaert (Oudburg), of het pijpenwinkeltje van Mr. Caron-Vandeputte (ingemuurd in de St. Niklaaskerk), de schilderswinkel van Ernest Hoffenbom (Vrijdagmarkt), de winkel van Moerman (Vlaanderenstraat, waar voor Karel een viool werd gekocht) en naar het atelier van De Praetere in het Patershol, waar Gustave voor het eerst in contact kwam met George Minne.

Ook na de verhuizing naar Latem kwamen de broers nog regelmatig in Gent: bij hun moeder (tot haar dood in 1903) en voor het bezoeken van tentoonstellingen. Zo waren ze in februari 1909 getuige van de arrestatie van anarchist Seiliger in de Lange Violettestraat en werden beide abusievelijk als anarchisten in de boeien geslagen.
Gustave bleef, nadat Karel in Sint-Amandsberg ging wonen, in 1904 alleen in Latem achter, maar verliet de Leiestreek voorgoed in 1909. Hij had met lede ogen gezien hoe de Gentenaars het lieflijke dorpje steeds meer de allure van een mondaine badplaats verleenden. Hoewel ondraaglijk voor zijn kunstenaarsgemoed, is Latem toch zowel thematisch als stilistisch blijven nazinderen in zijn latere werk.
Gustave overleed te Ukkel in 1947, maar werd bijgezet op het Gentse kerkhof Campo Santo, in het familiegraf, waar ook Karel rustte. Het Museum voor Schone Kunsten in Gent eerde hem met twee retrospectieve tentoonstellingen rond zijn oeuvre, in 1949 en in 2010.

[Nancy Bervoets & redactie]

Over G. van de Woestyne: