terug naar index
Van Daele, Henri (1877-1957)

(Gent, 05.01.1877 - Gent, 16.07.1957)

Café-chantant-zanger, acteur, regisseur maar vooral auteur van ruim honderd volkse toneel- en revuestukken. Hij werd geboren in de Sasschepoortstraat en groeide op in die arbeidersbuurt rond de Blaisantvest. Vanaf februari 1880 woonde hij aan de Geuzenberg en vanaf november 1882 in de Spaargeldstraat (later Spaarstraat). 

Van jongsaf raakte hij vertrouwd met het volkstoneel. Zijn vader was acteur/regisseur in het amateurgezelschap De Vrijheidsliefde. Op 9-jarige leeftijd zette Henri daar zijn eerste stappen op de Bühne. Amper 11 jaar oud, moest hij de school verlaten om in de fabriek te werken. In april 1891 verhuisde hij naar de Populierstraat. Vanaf maart 1897 trok hij naar Nijvel/Nivelle en dan naar Marcinelle. Een jaar later, vanaf juli 1898, woonde hij weer in Gent, in de Populierstraat (thans Oosteeklostraat) . In juni 1900 trok hij naar Lille, waar hij de stiel van kopergieter én een mondje Frans leerde. In september 1902 keerde hij terug naar de Gentse Populierstraat en oefende hij het beroep van kopergietersgast uit. Vanaf mei 1903 woonde hij in de Oude Sasscheppoort. 
Inmiddels was hij overtuigd socialist geworden. Na zijn terugkeer uit Frankrijk schreef en zong hij (socialistisch geïnspireerde) liedjes. Edward Anseele zette hem aan tot het schrijven van toneelstukken voor het volk. Om in zijn onderhoud te voorzien baatte hij, vanaf oktober 1906, met zijn broer Isidoor de tingeltangel (café-chantant) uit op de Vrijdagmarkt.

Uit die tijd dateren enkele “revues van Vooruit” (o.m. De Tsakke uit 1909, met muziek van Jef van der Meulen) en enkele sociale drama’s (o.m. Ferrer, eveneens uit 1909). Later zou hij nog enkele sociale drama’s schrijven; de bekendste daarvan zijn De duikboot en Het oorlogskindeke (beide uit 1919). Ze werden alle op de planken gezet door de Multatulikring.
Vanaf juni 1910 woonde hij in de Sint-Pietersnieuwstraat en vanaf januari 1913 vestigde hij zich in de Kleine Huidevettershoek. Inmiddels was zijn populariteit zodanig gegroeid, dat hij besloot beroepsauteur/acteur/regisseur te worden. De samenwerking met musicus Hector Seymortier leverde enkele stukken op: Dokske de stek (Den deken van de Muie) waarin zijn eigen volksgeest geheel te herkennen is, het blijspel Een vieze Karwei : Gentse Feesten en (ditmaal met de medewerking van Jean Ray) de vaudeville-op-zijn-Frans, Wit of zwart. Rond de tijd van de wereldtentoonstelling van 1913 vroegen Cyriel Buysse en Virginie Loveling hem, het eerste en het laatste bedrijf van hun Het volle leven (uit 1908) te bewerken voor toneel. Dit werd dan Uzeke wordt onderhouden.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog vluchtte hij naar Nederland met zijn gezin. Hij bleef er vier jaar en schreef er In Holland geïnterneerd en Oorlogskinderen (dat hij ooit zijn beste stuk noemde).  

Na de oorlog, in januari 1919, vestigde hij zich in Gentbrugge, eerst in de Kerkstraat en nadien aan de Oude Brusselseweg. Hij engageerde zich als schrijver van de lokale scènes voor de toen erg populaire revues in “de Nieuwe Circus”. Daar maakten toen voornamelijk Franstalige operettes en revues féeriques opgang. Het spektakel was er echter belangrijker dan het toneel zelf, het lokale element kreeg maar weinig aandacht en dat zinde Van Daele niet meteen.

Vanaf 1925 kon hij gedurende bepaalde perioden van het jaar beschikken over de Minardschouwburg, die zo de thuishaven voor zijn eigen gezelschap werd. Bijna dagelijks (en ‘s zondags tweemaal) waren er voorstellingen. Buiten zijn “Minard-seizoen” trad hij elders in Vlaanderen op (bijvoorbeeld in de Brusselse Follies Bergère). Hij schreef stukken aan de lopende band, o.m. De vieze apotheker, Half huis te huur, Eene schoonmoeder uit de duizend, Ne vieze patriot, De lotterijmillionairs, de muzikale komedie Lotse wordt chanteuse en vele andere. Zijn hoge productie garandeerde nochtans niet altijd kwaliteit. Het publiek, de Gentse volksmens, volgde hem, voelde zich veel meer thuis in zijn “Minardje”, dan in de “Nieuwe Circus”. Als reactie tegen de “Circus”-trend beperkte Van Daele het variété-aspect in zijn eigen revues tot het minimum. Later bande hij het er zelfs helemaal uit.

In december 1936 verhuisde hij terug naar Gent, naar de Keizer Karelstraat waar hij zou wonen tot aan zijn dood. Zijn afkeer voor het opkomende Nazisme in Duitsland inspireerde hem voor zijn (Hitler-)hekelend Hieteleire.

Na de Tweede Wereldoorlog taande zijn succes langzaam. Een nieuw contract met de Minardschouwburg gaf hem minder gunstige voorwaarden dan voorheen. Het overlijden van zijn vrouw was een zware slag voor hem. Hij maakte enkele zenuwinzinkingen door. Tijdens één daarvan vernietigde hij bijna alle teksten van zijn stukken (wat de latere datering ervan niet vergemakkelijkte).

Henri van Daele bleef de volkse toneel- en revueletterkunde zijn hele leven trouw. Zijn stukken waren eenvoudig, zonder literaire pretentie. Hij wilde zijn publiek, de volkse Gentenaar, het harde bestaan even laten vergeten met een gulle lach, met spot en soms een traan. Het doordacht gebruik van het Gentse dialect maakte bovendien dat zijn stukken de specifieke geaardheid weerspiegelden die de Gentse proletariër kenmerkt. Het rijke volksleven van zijn vaderstad was voor hem een blijvende bron van inspiratie. Zijn thema’s waren de pretentieuze mens, huwelijks- en buurtruzies, de politiek, de strijd tussen goed en kwaad… Hij was een meesterlijke tekenaar van de volksmens en van diens simpel maar toch complex milieu. Soms speelde hij direct in op de actualiteit, bijvoorbeeld in ‘t Is weer kiezinge of Madam Politiek (toen het stemrecht voor vrouwen in de actualiteit stond; “vader aan den haard en madam in ‘t parlement”). Dit alles beeldde hij uit in al zijn variaties, met warme liefde en met een ongemeen scherpe kijk. Het sprak de volksmens aan. Stukken uit die periode als Een schuunmoeder uit de duust, Toone heeft het miljoen gewonnen, De vieze apotheker, Lotse wordt chanteuse, ‘t Lollekenstribunol  en Pierke den duvel zijn onverslijtbaar en worden thans nog steeds met succes door amateurgezelschappen opgevoerd.

De populariteit van Henri van Daele duurt vandaag nog voort. Op 4 november 1969 werd hij herdacht; bij die gelegenheid werd in de Minardschouwburg een door kunstenaar Etienne Hublau gemaakt plaket aangebracht en werd een kunstmap uitgegeven. Van de liedjes die een plaats kregen in veel van zijn stukken, worden er thans nog gezongen. Zo behoren De visserkes van Astene, De sterkste man van Gent en Georgette nog tot het repertoire van Walter de Buck. In Gentbrugge werd een straat naar hem genoemd (in de Vogelhoekwijk, omgeving van het Vormingsstation Merelbeke).
Een beeldje van Dokske de Stek wordt thans in het huis van Alijn bewaard.
Onder impuls van de in 1997 opgerichte Van Daele Compagnie en haar wakkere voorzitter Willy Everaert werden zijn stukken verzameld en door Lea van Volsem gerestaureerd en bewerkt. Geregeld worden er nog werken van hem opgevoerd door Gentse amateurgezelschappen. De Van Daele Compagnie speelde zelfs lang uitsluitend zijn stukken (thans ook deze van Leo Wageneire). Deze Compagnie reikt sedert 2001 een “Henri van Daele Award” uit aan personen die uitzonderlijk verdienstelijk werk leverden in verband met de opvoering van zijn werk of voor de algemene bekendmaking van zijn oeuvre.

[Frank Beke en Frans Heymans]

Over H. van Daele: