terug naar index
Utenhove, Jan

(Gent, 1516 - Londen, 06.01.1566) 

Protestants voorman, auteur en vertaler van geschriften voor het protestants gemeenteleven. Telg uit een aloud Gents patriciërsgeslacht (en verre verwant van Karel Utenhove), studeerde hij in zijn geboortestad bij Joris Cassander en vervolgens aan de artesfaculteit te Leuven. Hoewel hij uit een familie van geleerden kwam waarin tijdens de 16de eeuw de Latijnse wereld van de humanisten bon ton was, heeft hij zich zijn leven lang ingezet voor een volwaardige lekencultuur in het Nederlands, die zich moest kunnen meten met de Latijnse geleerdheid. Zoals bijvoorbeeld ook Luther heeft gedaan, wou hij bijdragen tot de emancipatie van de geletterde leek door hem in zijn eigen volkstaal te betrekken bij het geestesleven, dat tot dan tamelijk exclusief het voorrecht van de intellectuele elite was geweest. Bijna al zijn geschriften waren dan ook in het Nederlands gesteld.  

Dat was al het geval toen hij voor het eerst in de openbaarheid verscheen. Op 2 juli 1543 liet hij op de binnenkoer van het buitenverblijf van zijn vader te Roborst, in de Zwalmvallei, het rederijkersspel De Evanglische leraer opvoeren, “een seer schoon spel van zinnen” zoals het in de gedrukte uitgave werd genoemd, maar dat later door de overheid als “een spel vul heresiën ende dwalingen, inhaudende de leeringhe ende secte van… Martinus Luther” werd bestempeld. De hoofdauteur was Gillis Joyeulx, alias den Drom, maar Jan Utenhove had hem daarbij een helpende hand geboden, allicht met inbegrip van het nalezen en wijzigen of aanvullen van de tekst. De opvoering gaf aanleiding tot hevige vervolgingen in het hele gebied tussen Gent en Oudenaarde. Met zeventien andere verdachten ging Utenhove in ballingschap. Mede door zijn toedoen werd in 1550 te Londen een Vluchtelingenkerk opgericht voor geloofsgenoten uit zijn vaderland die, om aan de vervolging te ontsnappen, naar het veilige Engeland waren uitgeweken. Maar toen in 1553 de katholieke koningin Mary Tudor (“Bloody Mary”) aan het bewind kwam, moesten de protestantse Nederlanders weg uit Londen. Utenhove heeft hun onfortuinlijke zeetocht langs de Scandinavische en Noord-Duitse kusten en eindelijk hun gastvrij onthaal in het Oost-Friese Emden in een aangrijpend verhaal beschreven Simplex et fidelis narratio de instituta ac demum dissipata Belgarum, aliorumque peregrinorum in Anglia, Ecclesia et potissimum de susceptis postea illius nomine itineribus, quaeque eis in illis euenerunt (1560): een van zijn zeldzame geschriften in het Latijn. In 1559 kon Jan Utenhove met zijn geloofsgenoten terugkeren naar Londen, waar immers met de troonsbestijging van Elizabeth de Reformatie was hersteld. Daar bleef hij tot aan zijn dood de onbetwiste leider van de Vluchtelingenkerk.  

Naast zijn vele opdrachten in de kerkleiding en ook enkele tussenkomsten in de internationale diplomatie, stak Jan Utenhove vooral veel energie in vertaalwerk, gedreven als hij was om geschriften in de volkstaal ter beschikking te stellen aan de gemeenteleden. Zijn grootste ambitie lag in de vertaling van de psalmen. Zijn eerste metrische vertaling uit 1556 werd evenwel een fiasco. Ook zijn Nederlandse bewerking van de psalmen van de Franse dichter Clément Marot, die postuum in 1566 verscheen en waarin hij veel eigen geld had geïnvesteerd, werd opnieuw geen succes, omdat ze spoedig verdrongen werd door de versie van de hand van een andere uitgeweken Vlaming, Pieter Datheen (Dathenus), die in hetzelfde jaar verscheen en enorm populair zou worden

[Johan Decavele]

 Over J. Utenhove: