terug naar index
Moens, Wies

(Sint-Gillis-Dendermonde, 28.01.1898 - Geleen/NL, 05.02.1982)

Dichter, criticus en essayist. In oktober 1916 begon hij Germaanse Filologie te studeren aan de vernederlandste “von Bissing”-universiteit, waar hij al vlug in activistisch vaarwater terecht kwam. In het Gentse studentenblad Aula pleegde hij zijn eerste poëzie. 
Voorts was hij in die periode  medeorganisator van een groots opgezet volksfeest op de Vrijdagmarkt op zondag 27 januari 1918, naar aanleiding van de door de Raad van Vlaanderen uitgeroepen onafhankelijkheid. Hiervoor werd hij na WO I van verdere studies uitgesloten en werd hij tussen 1919 en 1921 in de Gentse “Nieuwe Wandeling” gevangengezet gedurende meer dan 14 maanden.
Reeds tijdens zijn gevangenistijd maakte hij naam als “humanitairexpressionistisch” dichter en veelzijdig auteur. De volgende jaren werd hij secretaris en bezieler van het Vlaams Volkstoneel, journalist en essayist.
In 1931 richtte hij samen met Joris van Severen het fascistisch geïnspireerde VERDINASO op. In het secretariaat aan de Stroplaan gaf hij vanaf 1932 zijn eigen blad “Dietbrand” uit. Hij was niet alleen een begenadigd en veel gevraagd spreker, hij  bleef ook  steeds de “ Einzelgänger” van de Vlaamse actie.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog kwam hij sporadisch naar Gent om enkele persoonlijke opdrachten uit te voeren voor Hendrik Elias, de leider van het VNV en Gents oorlogsburgemeester.
Buiten deze Gentse passages bleef hij in Sint-Gillis-bij-Dendermonde wonen (tot 1938) en in Asse (tot 1944). In 1947 werd hij bij verstek ter dood veroordeeld en dook hij onder als politiek voortvluchtige en staatloos burger in het Nederlands-Limburgse Geleen.
Tot vandaag blijft Wies Moens voor beroering zorgen, enerzijds als het “slachtoffer”-icoon van extreem rechts in Vlaanderen en anderzijds als de “foute” fascistische veelschrijver.

In zijn gesprekken met Joos Florquin (zie Ten huize van... , dl. 12), in zijn Memoires (1996) en in Het activistische avontuur en wat erop volgde (1969-1970) verwees Moens  meermaals naar zijn Gentse studententijd, zijn activistische activiteiten, zijn gevangenisverblijf en zijn politieke passages in de Arteveldestad.
Tijdens zijn verblijf in de Gentse gevangenis schreef hij zijn pacifistische Celbrieven (1920) en zijn  expressionistische bundels De Boodschap (1920) en De Tocht (1921).
In verschillende van zijn werken is proza of poëzie over Gent opgenomen. Zo in De dooden leven (1938, over o.m. Oscar de Gruyter en René de Clercq), Celbrieven (1920, over zijn gevangenschap in de Gentse  Nieuwe Wandeling, over de herfst en de nacht), Oscar de Gruyter 1885-1929 (1958, over De Gruyter, een staking en het socialisme).
In Het lied der geuzen : strijdgedichten (1942) verzameld door Antoon vander Plaetse, is (p. 167-168) een gedicht van Moens opgenomen, Torens van Dietsland. 

[Luc de Bodt]

Over W. Moens: