terug naar index
Minne, Richard

(Gent, 30.11.1891 - Sint-Martens-Latem, 01.06.1965)

Dichter, prozaschrijver, journalist, essayist en tussendoor politiek actievoerder, handelsreiziger, ambtenaar en (om gezondheidsredenen) boer. Zijn belangrijkste werken in boekvorm zijn In den zoeten inval (1927), Heineke Vos en zijn biograaf (1933) en Wolfijzers en schietgeweren (1942). Voor dit laatste ontving hij in 1946 de driejaarlijkse staatsprijs voor romans en verhalend proza.
Hij werkte mee aan verschillende tijdschriften. In de lente van 1918, nog in oorlogstijd, publiceerde hij Drie liedjes aan de wandelaar in het Gentse tijdschrift Regenboog (gedrukt door Plantyn in de Korte Koestraat). Hij werkte tevens mee aan het in Brussel uitgegeven ‘t Fonteintje (dat zijn wortels had in Gent), was er (beslist niet ijverig) redacteur en zelfs redactiesecretaris van. Ook voor Ons Zondagsblad en Koekoek, wekelijkse bijbladen van Vooruit, leverde hij geregeld bijdragen.

Minne was een non-conformist, hij was tegendraads, bokkig en nukkig, een barse bijter, een “muiter met ‘t ijzer in de hand”, “een ongeneeslijk agnosticus” (Sötemann). Hij was de “nijdas die solo speelt en somtijds liegt”,  de “vedelaar met een gesprongen snaar”. Maar hij was ook een twijfelaar, iemand die “op twee oevers waakt” en “halfwege in nood geraakt”.
Hij ontpopte zich al vroeg tot een politiek, pacifistisch militant en een van de schaarse marxistische intellectuelen die Gent ten tijde van de Eerste Wereldoorlog kende. Zijn vroege (minder geslaagde) gedichten en verhalen waren duidelijk gekleurd door zijn ideologische opvattingen. In 1918 distantieerde hij zich van alles wat hij voordien publiceerde, met name van zijn socialistische gedichten in enkele studentenbladen en in Vooruit’s Almanakken. Wat kort na de Grote Oorlog, in de jaren twintig en later kwam, is vandaag nog zeer genietbaar. Meer nog: na Karel van de Woestijne was hij alleszins de eerste belangrijke Gentse dichter, een van die zeldzame blijvers wiens werk tot de canon van de Nederlandstalige poëzie wordt gerekend.

R. Minne en Gent

Hij werd geboren in de Stukstraat (’t Stuksken). In februari 1893 verhuisde het gezin naar de Abeelstraat en in december 1898 naar de Phoenixstraat. Lager onderwijs kreeg hij in de Rijksmiddelbare school aan de Bisdomkaai. Na zijn (niet voltooide) middelbare schooltijd op het Gentse Koninklijk Atheneum aan de Ottogracht, was hij een tijdlang werkzaam als handelsreiziger. Later was hij klerk in de sigarenfabriek Frères Vande Walle, manufacture de cigares fins, aan de Rietgracht en de Heirnislaan, en nog later werd hij ambtenaar op de vertaaldienst van het ministerie van Justitie. Op doktersadvies moest hij buiten de stad gaan wonen en geestelijke arbeid zoveel mogelijk vermijden. Met zijn kersverse echtgenote Julienne huurde hij een bovenkamer van een herberg in Bachte-Maria-Leerne. Na anderhalf jaar trokken zij naar een hoeve in Arisdonk-Waarschoot waar hij keuterboer werd. Dat laatste viel hem zwaar, het was fysiek afmattend en geestelijk verstikkend. Toch zou hij daar wonen tot aan zijn dood.

Vanaf januari 1931 werkte hij bij Vooruit, eerst op de documentatie-afdeling, vervolgens bij de buitenlandredactie en tenslotte voor de rubriek Het Geestesleven, eerst als mederedacteur (samen met Achilles Mussche en Raymond Herreman), later alléén als hoofdredacteur. Naast de afleveringen in de rubrieken Met het potloodstompje, De oneerbiedige pen en Brieven aan een lezeres over de Franse letteren, en naast de latere Brieven van Pierken, bracht hij van 1944 tot 1957 In 20 lijnen, het dagelijks hoekje op de tweede pagina van de krant. Hij schreef daarin over dagelijke beslommeringen, over voorvallen die hem troffen en over zijn lectuur. Meermaals hield hij een apologie voor het Gentse dialect en sprak hij zijn waardering uit voor het Gentse dialectwoordenboek van Lodewijk Lievevrouw-Coopman. Na zijn pensioen nam Louis Paul Boon de fakkel over met zijn “Boontjes”. Minne bleef echter voor de Vooruit werken. Wekelijks verschenen in de krant nog zijn Brieven van Pierken en afleveringen in de rubriek Pro en Contra, over zijn lectuur die hij met zijn ruim lezerspubliek wilde delen.

Zijn bijdragen voor Koekoek, en dan vooral zijn Brieven van Pierken, verdienen hier een afzonderlijke vermelding. Minne was redacteur van dit “humoristische bijblad” dat ironische bijdragen over vooraanstaande politici en culturo’s en sarcastische commentaren over eigentijdse gebeurtenissen bracht. Hij schreef er eerst onder het pseudoniem Dr. Panglos – naar een personage in het door hem geadoreerde Candide van Voltaire – en later gebruikte hij nog tal van andere schuilnamen.
De wekelijkse Brief van Pierken was een strip, met tekst van Minne en tekeningen van de Vlaamse expressionist Frits van den Berghe. Pierken de Spiegelleire, de “held” in elke aflevering, was Minne zelf. Het was een volksjongen uit het Gentse arbeidersmilieu die op een gespeeld naïeve manier commentaar leverde op het dagelijkse leven in Gent, op de broederschool, de huiselijke keuken, de Gentse geografie en het weer. Pierken was de eigenzinnige, weerbarstige Minne ten voeten uit, niet verlegen om een taal- of spellingsfout meer of minder. Hij hanteerde een zeer eigenzinnig taaltje om zijn spitse monologen te voeren: zijn taal is doorspekt met woorden en uitdrukkingen uit het Gentse dialect.
Met deze roman fleuve, waarvan de eerste 202 afleveringen in Koekoek verschenen, schreef Minne een weergaloze (ironische) lofzang op Gent. De Brieven vormen een levendige, speelse en  beeldrijke getuigenis van het Gent van de beginjaren dertig tot medio jaren zestig. Pierken werd in veel gezinnen een vriend des huizes.
Na het opheffen van Koekoek (in april 1935) werd de rubriek voortgezet in Vooruit.De laatste brief dateert van drie dagen voor Minnes overlijden.

Minne en Gent: zij hadden een onverbrekelijke band. Alleen zong de Gentse dichter niet uitsluitend de lof van zijn geboortestad, ook het donkere water, de ellende van het negentiende-eeuwse proletariaat in het “Belgische Manchester”, de uitbuiting van kinderen en vrouwen, kregen zijn aandacht. Minne noemde zijn overbekende gedicht Gent “het meest geslaagde” uit zijn poëtisch oeuvre.

Dezelfde ambivalentie als in dit gedicht treffen we ook aan in Minnes weergaloze Aanteekeningen van een Gentenaar, opgenomen in de bundel Vlaandren, o welig huis :  zooals Vlaamsche schrijvers hun land zien (1939). In een sfeerrijke prozatekst bezingt Minne de schoonheid van Gent, maar evenzeer de grilligheid, de weerbarstigheid van zijn stad, en hij verzwijgt evenmin de grauwe zijde van de fabrieksstad. Aanteekeningen van een Gentenaar is een van die beschouwende teksten in Minnes omvangrijke literaire en vooral journalistieke oeuvre die een mooie heruitgave verdient.

Blijvende aandacht

Minne werkte mee aan Leesclub Boekuil van zijn Gentse vriend René Idé. In oktober 1959 sprak hij, samen met zijn ex-collega Prosper de Smet, in het feestlokaal van Vooruit over Cyriel Buysse (waaraan hij een monografie had gewijd). Hij werd enkele keren gevierd in zijn geboortestad, onder meer op 7 april 1962 in het stadhuis, toen hij de eremedaille van verdienste van de stad in ontvangst mocht nemen. Enkele maanden later, in de zomer van 1962, werd hij geïnterviewd voor de BRT-reeks Ten huize van…

Vanaf de jaren ’90 groeide er een hiernieuwe belangstelling voor (de studie van) zijn werk, getuige daarvan de titels in de bibliografie hierna.
De Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde (KANTL) gaf in 2000 Vincent Neyt de opdracht, op basis van een teksteditorisch onderzoek van de Vakgroep Nederlandse literatuur van de Gentse universiteit, alle Brieven van Pierken in Koekoek, in facsimile te bundelen, geannoteerde leesteksten te bezorgen en een inleidend commentaar te schrijven. Hopelijk is dit de start van een complete uitgave van die typisch Gentse, eigenlijk typisch Minneaanse brieven.
In 2002 organiseerde de KANTL in de Stedelijke Openbare Bibliotheek een tentoonstelling, gewijd aan de Brieven van Pierken.

[Yves T’Sjoen]

Over R. Minne: