terug naar index
Ledeganck, Karel Lodewijk

(Eeklo, 09.11.1805 - Gent, 19.03.1847) 

Vlaams jurist, flamingant en dichter, geboren als Charles Louis (zijn Nederlandse voornamen kwamen pas na zijn dood in gebruik). Hij was de vader van schrijfster Clara Cogen-Ledeganck en de grootvader van schilderes-schrijfster Anna De Weert-Cogen, beiden ook opgenomen in dit Lexicon.
In 1835 werd hij doctor in de rechten aan de Gentse universiteit. Beroepshalve had hij een zeer actieve en wisselende loopbaan. Vanaf 1836 was hij vrederechter voor het kanton Zomergem. In 1837 werd hij provincieraadslid van Oost-Vlaanderen en in 1842 werd hij benoemd tot provinciaal inspecteur voor het Lager Onderwijs. Zijn zware taak in laatstgenoemde functie bestond er in de in 1842 aangenomen wet op het Lager Onderwijs te doen toepassen in Oost-Vlaanderen. 

Samen met o.m. Jan Frans Willems, Prudens van Duyse, Ferdinand Snellaert en Philip Blommaert behoorde hij tot de voormannen van de Vlaamse Beweging. Zijn gedicht Vrede, geschreven in 1839 naar aanleiding van de internationale bekrachting van de Belgische Onafhankelijkheid door de grootmachten (in het zgn. “Verdrag van Londen”), veroorzaakte enige polemiek. Sommige voorvechters van de Vlaamse Beweging verweten hem een gebrek aan strijdvaardigheid tegen de Vlaamsvijandige politiek van de Belgische staat. Toen hij in 1841 zorgde voor de eerste Nederlandse vertaling van het Burgerlijk Wetboek (de zogenaamde “Code civil”), werd dat wél gunstig onthaald. 

Hij was de belangrijkste dichter van de opkomende Romantiek (van 1830 tot ca 1850) in Vlaanderen. Zijn poëzie werd voor het eerst gebundeld in Bloemen mijner lente (1839). In hetzelfde jaar schreef hij het ook nu nog lezenswaardige elegische gedicht, het weemoedige Het graf mijner moeder.

Met de publicatie van De boekweit (1843) brak hij door als eerste natuurlyricus in Vlaanderen, lang voor Gezelle zijn beste natuurverzen schreef. Thans is hij nog altijd bekend als de schrijver van het “dichterlijk evangelie van de Vlaamse Beweging”, De drie zustersteden (1846), een ode aan de voornaamste Vlaamse historische steden, Gent, Antwerpen en Brugge.

K.L. Ledeganck en Gent

Ledeganck woonde in Eeklo, Oudenaarde en Zomergem vooraleer hij in 1842 met zijn gezin verhuisde naar de Gentse Holstraat en daarna, in 1845, naar de Capucijnenstraat (nu: Sint-Kristoffelstraat, tussen de Brabantdam en de Keizer Karelstraat). 

Als dichter werkte hij mee aan talrijke Gentse tijdschriften, de Belgische Muzenalmanak, het Nederduitsch letterkundig jaerboekje, het Kunst- en letterblad en de Bydragen der gazette van Gend voor letteren, kunsten en wetenschappen. Hij was ook lid van het Gentse genootschap De tael is gansch het volk, dat opkwam voor de rechten van het Nederlands en Vlaanderen in België. Vanuit die achtergrond hield hij in de provincieraad op 17 juli 1840 de eerste toespraak sedert lange tijd in het Nederlands. Hij stelde daarin voor, als algemene regel Nederlands te spreken in de provincieraad en “taalfaciliteiten” te voorzien voor Franstaligen.  

Gent in zijn werk 

Ledeganck liet zijn latere romantische verheerlijking van Gent reeds doorklinken in het bekroonde gedicht Zegeprael van ’s lands onafhankelijkheid : lotsbestemming des vaderlands (1834). Toen noemde hij Gent een “weidsche stad met majesteit”. Kort voor zijn dood in 1847 schreef hij nog een loflied op Gent met de beginregels: “Wie kent die stad, waar alles nog van Vlaenderens grootheid spreekt?” 

Ook de historische figuur Willem Wenemaer (van 1321 tot 1325 burgemeester van Gent; in 1323 stichter van het Wenemaershospitaal aan het Sint-Veerleplein; kapitein van de Gentenaars in hun strijd tegen de Bruggelingen) werd geroemd in een gedicht.
Gent kwam eveneens in beeld in Ledegancks middeleeuwse fictie, meer bepaald in Het burgslot van Zomergem (1840), het epische gedicht met gruwelijke afloop: het vrouwelijke hoofdpersonage Clara ontwaakt in het Gentse winterverblijf van de wreedaardige Koenraad van Raepsburg. 

Belangrijkste Gentse literaire werken 

De zinnelooze (1841): religieus gedicht opgedragen aan de vermaarde Gentse professor Jozef Guislain, de vernieuwer van de psychiatrische gezondheidszorg in de negentiende eeuw. Hij creëerde het eerste echte “gesticht” (het huidige Dr. Guislaininstituut) waarin geestesgestoorden op een humane manier behandeld werden. Ledeganck, die het gesticht bezocht, laat in het gedicht een zuster die met veel inzet en naastenliefde in het godshuis werkt, het relaas doen van een dramatische gebeurtenis met een krankzinnige. 

Aan Gent (1846): eerste gedicht van de trilogie De drie zustersteden, waarin Ledeganck enerzijds het verval van Gent betreurt (“Gij zijt niet meer,/ gelijk weleer,/ de trotse wereldstad”) maar anderzijds de stad krachtig oproept nooit het verleden en vooral nimmer de taal te verloochenen. In drieëntwintig strofen schildert hij de roemrijke Gentse geschiedenis: van de strijd tussen de gilden en de Fransgezinde graaf van Vlaanderen over Keizer Karel tot de vereniging met Nederland van 1815 tot 1830. Hij heeft ook aandacht voor de bloeiende industrie (“honderd vuurkolommen”), de bouwkunst, de wetenschap en de rechtspraak in Gent. Ten slotte bevat het gedicht ook de onsterfelijke versregels:
 “Geen rijker kroon
Dan eigen schoon!”  

Blijvende waardering in Gent  

In 1845, twee jaar voor zijn overlijden, werd hem, vooral voor zijn literaire verdiensten, de eretitel van geaggregeerde van de Gentse universiteit toegekend. 

Nadat hij in 1847 eerst werd begraven op het nu verdwenen Dampoortkerkhof in de Wasstraat (Sint-Amandsberg), werd zijn stoffelijk overschot het jaar daarop overgebracht naar het Campo Santo (Park B, kelder 1, tegen de zijmuur van de kapel) in dezelfde gemeente. In 1849 werd daar, onder grote belangstelling, een praalgraf met gedenkteken onthuld (later werd nog een stenen plaat aangebracht met de woorden “Den Zanger der drie Zustersteden”). Aan de Vlaamse Kaai werd op het einde van de 19de eeuw een “villa” gebouwd die, hem ter ere, “Villa K.L. Ledeganck” werd genoemd. Ze was versierd met een borstbeeld en met het opschrift Blijf steeds uw’ Vlaamschen oorsprong waard. /  Wees Vlaamsch van hart en Vlaamsch van aard / Wees Vlaamsch in uwe spraak en Vlaamsch in uwe zeden. / De drie Zustersteden, 1846. De villa werd afgebroken in het begin van de jaren ’70 van de 20ste eeuw.
Naar aanleiding van de honderdste verjaardag van zijn overlijden werd in 1947 in Gent een grootse Ledeganckhulde georganiseerd met een tentoonstelling (georganiseerd door de universiteit) in de toenmalige Stadsbibliotheek aan de Ottogracht. Het provinciebestuur van Oost-Vlaanderen organiseerde een academische zitting in de universiteitsaula (Volderstraat), waar o.m. Ledegancks betekenis als letterkundige belicht werd.
In 1971 was Ledegancks begraafplaats op Campo Santo het startpunt van een groots opgezette familiebijeenkomst van de Ledeganckstam. Eveneens op Campo Santo herdachten de steden Gent en Eeklo in 1997 gezamenlijk de honderdvijftigste verjaardag van Ledegancks overlijden. 

De stad Gent eerde de dichter met een naar hem genoemde straat, de Karel Lodewijk Ledeganckstraat (in de omgeving van het Museum van Schone Kunsten en het S.M.A.K.). In de Sint-Kristoffelstraat werd aan zijn laatste woning een herdenkingsplaat aangebracht die ondertussen vervangen is door het opschrift “Hier schreef Ledeganck / zijne drie zustersteden / april mei juni 1846 / en stierf hij in maart 1847.” 

[Joël Neyt] 

Over K.L. Ledeganck: