terug naar index
Hellens, Franz

(Brussel, 08.09.1881 - Brussel, 03.02.1972, ps. van Frédéric van Erminghem)

Franstalige romancier, dichter en essayist van internationale betekenis én bekendheid. Als romancier was hij onvergelijkbaar en – met zowat 200 titels –  uiterst productief.. Zijn werk verscheen in meer dan twintig talen maar is in het Nederlands taalgebied nauwelijks bekend. 

Van maart 1894 tot augustus 1906 woonde hij met zijn ouders in Gent, aan de Kortrijksesteenweg, waarna zij naar Elsene verhuisden. Die periode van iets meer dan twaalf jaar heeft – naar eigen zeggen – zijn schrijverschap definitief beïnvloed. Na de humaniora op het Sint-Barbaracollege studeerde hij aan de Gentse universiteit, waar hij promoveerde tot doctor in de Rechten. Aanvankelijk werkte hij bij de Koninklijke Bibliotheek te Brussel, daarna werd hij hoofdbibliothecaris van het Parlement.  

Voorloper van het surrealisme in zijn literair proza en zijn poëzie, stichtte Hellens drie avant-garde tijdschriften Signaux de France et de Belgique, Le disque vert en Cahiers du Nord. Voornamellijk Le disque vert werd tijdens het interbellum een internationale draaischijf.  
Door zijn belangstelling voor de droom en de fantastische wegen van de ervaring besteedde hij, lang voor het surrealisme, aandacht aan Freud en later ook aan Jung. Hij formuleerde de bevindingen van zijn 35 jaar omgaan met de droom in La vie seconde ou Les songes sans la clef (1945). De romans van Hellens steunen op juxtapositie, het samenbrengen van losse passages die ofwel een autobiografische evolutie tekenen (in Le naïf, 1926), ofwel de innerlijke ontwikkeling schetsen die een ontdekking wordt dank zij de droom en zijn thema's. Hellens reconstrueerde de dromen om ze begrijpelijk te maken in waaktoestand, hopende dat ze het verborgene in de zichtbare wereld en de intieme mens zouden openbaren. Op de diepere zin van de gebeurtenissen komt het aan. Mélusine ou la robe de saphir (1920) is hiervan een eerste voorbeeld. Er volgen meerdere romans en ruim tien bundels fantastische verhalen, Les hors-le-vent (1919), Réalités fantastiques (1922), Nouvelles réalités fantastiques (1941), Herbes méchantes et autres contes insolites (1961) ... tot de anthologie Contes et nouvelles (1977). Alle gaan in dezelfde richting als Le nïf en Mélusine.  

Was Hellens in de eerste helft van zijn leven voornamelijk prozaïst en uitgever van tijdschriften, in de tweede helft keerde hij terug naar de poëzie of schreef hij proza-meditaties over de hoge leeftijd en over de manier om intellectueel ten volle van het leven te genieten. In 1933 ontving hij de driejaarlijkse staatsprijs voor zijn verhalenbundel Fraîcheur de la mer.

F. Hellens en Gent

Hellens debuteerde met En ville morte (1905), een door Jules de Bruycker geïllustreerde, introverte en animistische roman die zich volledig afspeelt in Gentse straten en kamers. Ook zijn verhalen in Les hors-le-vent (1909), evenals tientallen andere verhalen én de roman Mélusine, zijn gebaseerd op ervaringen, fantastiek en droom die rechtstreeks te maken hebben met Hellens’ jonge Gentse jaren. Zijn autobiografie, Le naïf, verklaart hoe de Gentse passages evolueerden naar het fantastische toe. Gent komt in Hellens’ werk voor als een ets van De Bruycker die kleur en een bizarre schoonheid zouden hebben gekregen.
Ook de keuze van zijn pseudoniem is in dat opzicht merkwaardig. De jonge Hellens liep dagelijks te voet van het ouderlijke huis aan de Kortrijksesteenweg naar het Sint-Barbaracollege. Hij kwam dan voorbij een handelszaak waarvan het naambord in mooie grote letters de naam “Hellens” vermeldde. Er ging een merkwaardige aantrekkingskracht uit van de vorm van de letters, waarschijnlijk Jugendstil, vol sierlijke kronkels. Zowel de symmetrie links en rechts van de centrale letters “l” als de klank van de naam “Hellens” boeiden de jongen. Dàt inspireerde hem tot de esthetisch-fantastische keuze van zijn pseudoniem. De échte Hellens ontmoette hij nooit in werkelijkheid, wél in een andere dimensie, in zijn realiteit.  

Dat de auteur ondanks zijn verblijf in het buitenland Gent steeds heeft beschreven als bakermat van zijn werk heeft te maken met de intensiteit waarmee hij de stad heeft ervaren. Hij zei van zichzelf dat hij “geobsedeerd was door de stad”. Toen het Museum voor Schone Kunsten te Gent in 1970 een tentoonstelling wijdde aan Jules de Bruycker (1970), schreef de dan 90-jarige Hellens de inleiding van de catalogus. Daarin erkende hij dat hij zonder de gestadige omgang met Jules de Bruycker nooit zijn En ville morte, noch de verhalen in Les hors-le-vent zou hebben geschreven. De Bruycker bracht Hellens naar het Patershol en naar de portiersloge van de Gentse universiteit aan de Voldersstraat.
In Les hors-le-vent levert het verhaal La cuisine des fous een merkwaardige getuigenis. De toenmalige huisbewaarder van de universiteit had zijn woonkamer-portiersloge naast de zuilengalerij van de aula. Hellens maakte er een Cuisine des fous van. De portier deelde de ruimte niet alleen met een haan, een kip, enkele duiven en een kanarievogel, overdag ook met Jules Verwest, Dessenis, Cies de Kalle alias la Cornelle (de Kraai), Jules de Bruycker en nog anderen... Zij allen maakten van deze loge hun “standplaats”, vooral omdat ze er gratis in de warmte konden werken en op koffie of soep bij hun boterham werden getracteerd. De authenticiteit van deze details – in het Gentse verhaal nochtans ficftief, verzonnen en dus absurd – was voor de auteur doorslaggevend voor wat Léon Picard ooit Hellens’ le fantique réel noemde: “waarheid op zichzelf fantastisch; de fantastiek bestaat dus echt ”.

[Nicole Verschoore]

Over F. Hellens: