terug naar index
D'Heere, Lucas

(Mijnsheeren, later De Heere, Latijn Derus) (Gent, 1534 - ?, 29.08.1584) 

Schilder, dichter en politicus, tweede zoon van Jan d'Heere, beeldhouwer en architect, en van de miniatuurschilderes Anna de Smijtere. Eerst door zijn ouders opgeleid tot bekwaam tekenaar, werkte hij nadien in het atelier van de schilder Frans Floris te Antwerpen. In 1559-1560 zou hij te Parijs voor de Franse koningin-weduwe patronen voor tapijten getekend hebben. Na zijn terugkeer te Gent opende hij een succesrijk schildersatelier in de Bennesteeg. Onder zijn leerlingen telde hij de Gentenaar Lieven van der Schelde en Karel van Mander, de later beroemde auteur van het Schilder-boeck 

D'heere trad manifest op de voorgrond in 1565 met de publicatie van twee werken, Den hof en boomgaerd der poësien en Psalmen Davids. Den hof en boomgaerd wordt alge­meen erkend als het begin van de Renaissance in de Nederlandse literatuur. Voor het eerst bood een dichter een collectie moderne genres aan (doorgaans navolgingen van Franse auteurs) onder de vorm van sonnetten, oden, elegieën en epigrammen en dat in eveneens moderne, getelde versvorm. De Psalmen Davids, zevenendertig in het totaal, was een vertaling van het Franse calvinistische psalter. Als protestant moest D'Heere dan ook vluchten voor Alva. Hij trok naar Londen, waar hij als schilder reüsseerde. Hij schreef er een soort handlei­ding voor zijn lotgenoten Corte beschryvinghe van England, Scotland ende Irland en een kostuumboek Theatre de tous les peuples. Beide werken bleven in handschrift.  

Na de Pacificatie van Gent keerde hij in 1577 terug en was werkzaam als politicus en publicist in dienst van Willem van Oranje en van Filips van Marnix, heer van Sint-Aldegonde. In die functies verzorgde hij de plechtige ontvangst van Oranje te Gent op 29 december 1577; van zijn verslag daarover zijn drie drukken bekend. Op 20 augustus 1582 werd de Franse prins François d'An­jou als nieuwe graaf van Vlaanderen ingehuldigd. Alweer was de organisatie van de plechtigheden toevertrouwd aan D'Heere die ook voor verdere propagandistische nawerking zorgde: van het relaas van de ceremonie bestaan vier drukken, een Nederlandse en drie Franse. Toen Gent zich in 1584 aan de Spaanse koning moest onderwerpen, was D'Heere niet meer in de stad aanwezig. De plaats van zijn overlijden is onbekend. De Stad Gent noemde een straat naar hem: de Lucas de Heerestraat, uitkomend op de Burggravenlaan. 

D'Heere en Gent 

Den hof en boomgaerd biedt een interessant panorama van de toenmalige geïnteresseer­den in moderne poëzie te Gent en elders. De bundel in zijn geheel is opgedragen aan de hoofdbaljuw van de stad, Adolf van Bourgondië-Wakken, en daarnaast wordt ieder gedicht afzonderlijk gericht tot een met name genoemde bestem­meling. Als eerste literator wordt Marcus van Vaernewijck aangesproken, verder François Hieman, deken van de rederij­kers­kamer Sint-Barbara, en Willem van den Bogaerde, prins van de kamer Jezus met der Balsem Blomme. Sterk vertegenwoordigd is de Gentse stadsadel in de personen van Karel Utenhove, Joos en Willem Borluut, Livina van Steelandt en Adriaan van den Kethulle. In speels geformuleerde epigrammen begroet de dichter adellijke dames met invloedrij­ke echtgenoten zoals Jacoba de Bonnières, echtgenote van de hoofdbaljuw, Barbara Claysso­ne, vrouwe van Wallebeke en gehuwd met Gerard Rijm, Philipote de Gruutere, vrouwe van Nazareth en echtgenote van Jacques vanden Nes. Opvallend aanwezig zijn advoca­ten bij de Raad van Vlaanderen, het hoogste rechtscollege van het graafschap: Christophe vander Beke, Jacques Bavier, Jan van Saffel en de machtige Pieter de Rijcke, een van de aanzienlijkste calvinisten te Gent. Al deze prominenten staan in Den hof en boomgaerd in het gezelschap van intellectue­len met grote reputatie als de humanist Marcus Laurinus uit Brugge en de Antwerpse geograaf Abraham Ortelius. 

Als schilder besteedt D'Heere in Den hof en boomgaerd zowel aandacht aan de schilder­kunst als aan individuele kunste­naars. In de Gentse context moet hier vermeld worden: zijn sonnet op een (verdwenen) schilderij van Hugo van der Goes en vooral zijn belangrijke ode op het Lam Gods van de gebroeders Van Eyck, die door Van Mander opgenomen werd in zijn Schilder-boeck en daardoor de literatuur over dit schilderij in belang­rijke mate heeft beïnvloed. 

Theatre de tous les peuples wordt sinds 1865 bewaard in de Gentse universiteitsbibliotheek. Het Museum voor Industriële Archeologie en Textiel stelde in juli 2004 een reeks aquarellen uit dit handschrift tentoon.

[Werner Waterschoot]

Over L. D’Heere: