terug naar index
Daisne, Johan

(Gent, 02.09.1912 - Gent, 09.08.1978, pseudoniem van Herman Thiery)

Gents dichter, prozaïst, auteur van toneelstukken, hoorspelen en essays, filmcriticus. Hij wordt beschouwd als de initiator van het magisch-realisme in de Nederlandse literatuur, genre waarvan hij zijn theorie uiteenzette in het essay Letterkunde en magie (1958, vanaf de tweede druk Wat is magisch-realisme getiteld).
Zijn meest gekende werken zijn De trap van steen en wolken (1942, zijn magisch-realistische debuutroman), De man die zijn haar kort liet knippen (1948, verfilmd in 1965) en De trein der traagheid (1963, verfilmd in 1965, eerst verschenen in de bundel Met dertien aan tafel, 1950). In 1978 werden zijn Verzamelde gedichten gepubliceerd.
Zijn levendige belangstelling voor de film leidde tot het samenstellen van een viertalig Filmografisch lexicon der wereldliteratuur (2 dln, 1971-1975 plus supplement, 1978).
Hij werkte mee aan talrijke tijdschriften, was mede-oprichter van Klaver(en)drie, Werk en het Nieuw Vlaams tijdschrift. Vanaf 1967 was hij lid van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde (later Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, KANTL).
Onder de talrijke literaire prijzen die hem te beurt vielen vermelden we: de driejaarlijkse staatsprijs voor toneelletterkunde (periode 1943-1945) voor Het zwaard van Tristan, de driejaarlijkse staatsprijs voor romans (periode 1957-1959) voor De neusvleugel der muze : een roman van de film, de August Beernaert-prijs van de KANTL (periode 1948-1949) voor De man die zijn haar kort liet knippen, de Arthur Merghelynck-prijs van de KANTL (periode 1955-1957) voor zijn roman Lago Maggiore : de roman van een man, de roman van een vrouw en de literaire prijs van de stad Gent (1954) voor Het kruid-aan-de-balk : een bussel gedichten. In 1967 werd hem de Kogge-Literatuurprijs van de Duitse stad Minden toegekend voor zijn gezamenlijk oeuvre.

J. Daisne en Gent

Johan Daisne werd geboren in de Rabotstraat. Kort daarna (op 26.09.1912) verhuisden zijn ouders naar de toenmalige Koornbloemstraat. Op 06.09.1919 verhuisden zij naar de toenmalige Akkergemlaan, later werd dit een deel van de “ring”, en twee jaar later (op 08.02.1933) trokken zij naar de Groot-Brittanniëlaan. Na de Tweede Wereldoorlog woonde hij bijna een jaar in Schaarbeek. Op 29.10.1945 nam hij opnieuw zijn intrek in Gent, in “het familiehuis” aan de Groot-Brittanniëlaan. Vanaf 22.10.1946 woonde hij in de Koningin Astridlaan. Op 04.09.1957 vestigde hij zich Aan de Bocht (de vroegere Nekkersberglaan) waar hij overleed.

Hij liep lager onderwijs in de Geitestraat, volgde de technische “vierde graad” in Meerhem (thans Jacob van Maerlantstraat). Vervolgens (1926-1930) studeerde hij aan het Koninklijk Atheneum aan de Ottogracht en daarna economische wetenschappen en Slavische talen aan de Gentse universiteit. Van 1936 tot 1961 was hij parttime leraar Duits aan de Stedelijke Normaalschool voor Onderwijzeressen in de Wispelbergstraat (nr. 8). Van 1945 tot 1977 was hij directeur van de Openbare Stadsbibliotheek aan de Ottogracht (nr. 2). Na zijn overlijden werd zijn as uitgestrooid op de Westerbegraafplaats aan de Palinghuizen en werd zijn naam daar aangebracht op het graf van zijn vader, Leo-Michel Thiery (graf nr. 4287).

Johan Daisne was een erg gevoelig man, sterk gehecht aan zijn omgeving, zijn familie en zijn leefwereld. Veel van zijn werken getuigen daarvan: ze zijn autobiografisch of bevatten autobiografische achtergronden. Zijn Maud Monaghan (1940) was een spionageverhaal, geïnspireerd door zijn tijd als reserve-officier. Aurora (1940) noemde hij “het inwendig avontuur” uit zijn jeugd. Onder meer in Baratzaertea, een Baskisch avontuur of de roman van een schrijver (1963, de roman begint en eindigt in Gent) is het hoofdpersonage duidelijk de schrijver zelf. Ook de figuren uit zijn omgeving duiken geregeld op. Zo is bijvoorbeeld zijn ’t En is van u hier nederwaart : mijn stamboomverhaal (1956) gewijd aan zijn familie en vooral aan zijn ouders: zijn vader Leo-Michel Thiery (stichter van het Gentse Schoolmuseum) en zijn moeder, die hij verafgoodde. Ook De prins van de Libanon, zijn vaderroman, was een soort “in memoriam patris” dat als manuscript in de kluis bleef liggen omdat – zoals hij ooit verklaarde – “het verdriet” na het overlijden van zijn vader “te vers was om aan publiceren te denken”. Hoofdstuk I van De prins... verscheen later in het tijdschrift Yang (nr. 80-81, 1978) als Bonsecours. Ook elders in zijn werk duikt zijn vader geregeld op, dikwijls als “Pipa”. Even belangrijk is de herinnering aan zijn moeder die hij in talrijke gedichten eerde. De opdracht “Voor moeder” in zijn Hoe schoon was mijn school : de roman van een leraar (1961) was meer dan een opdracht: dit boek was eigenlijk zijn moederroman.
Ook anderen uit zijn omgeving kregen een plaats in zijn werk. Slechts enkele voorbeelden: de verzenbundel Hermine uit de storm (1944) was opgedragen aan zijn eerste vrouw; de bundel Ikonakind (1946) aan Frédérique, zijn zeer jong gestorven eerste kind. Verklaarde hij zelf niet in een interview: “de helft van mijn roman De trap van steen en wolken is de koestering van mijn familie ”? Elders duikt de omgeving op waar hij als kind speelde, of de Terminus, zijn stamcafé aan het Sint-Pietersstation, of ’t Patijntje, het “eethuisje en café waar je ’s zondags heerlijk paling kunt eten”, enzovoort...

Gentse werken

Hoe schoon was mijn school (1961, geïllustreerd door Oscar Bonnevalle) is zonder twijfel één van zijn meest autobiografische werken. Het is een weemoedige, vertederend geromantiseerde terugblik op de 25 jaar die Daisne lesgaf in de meisjesschool in de Wispelbergstraat (in de roman Kastanjestraat genoemd). Het was de school waar ook zijn moeder les had gegeven.
In deze site “Literair Gent” past ook de vermelding van zijn essay Gent, schoonschrift der Leie : een schets der Gentse letteren, een lezing voor de toenmalige BRT. Ze werd nadien gepubliceerd in het Kultureel jaarboek van de Provincie Oost-Vlaanderen over 1963 (gepubliceerd in 1965). Hierin overloopt Daisne de geschiedenis van de literatuur in Gent.  

De (toen nog) Gentse Openbare Stadsbibliotheek was het belangrijkste onderdeel van zijn beroepsloopbaan. Al evolueerde “zijn” bibliotheek technisch niet meteen naar de strenge eisen van modernisering die later decretaal zouden worden bepaald, tóch legde hij er de basis voor enkele belangrijke accenten waarop de Stedelijke Openbare Bibliotheek na hem zou voortbouwen: hij bracht er een rijke literaire collectie, een ruime verzameling over film en toneel én een omvangrijk documentatiebestand (met knipsels, brochures e.d., vooral over literatuur) bijeen. Hij gaf er onderdak aan Leesclub Boekuil, de literaire lezingen die in de jaren ’50 en ’60 geregeld doorgingen in de bibliotheek aan de Ottogracht.
 
Blijvende aandacht

Was Johan Daisne tijdens zijn leven reeds een gevierde persoonlijkheid, dan werd hij na zijn overlijden ook nog geregeld in herinnering gebracht. We beperken ons tot het eerbetoon in zijn geboortestad.
In 1980 richtte het Gentse Willemsfonds een Herdenkingstentoonstelling Johan Daisne in die plaatsvond in het Pand (Onderbergen 1) van de Gentse universiteit.
Naar aanleiding van de schenking van zijn filmcollectie aan de Centrale Bibliotheek van de Gentse universiteit, liep daar van 1 tot en met 19 oktober 1991 een tentoonstelling Vielen Dank, Herr Daisne, met cinefiele curiosa uit zijn archief.
In 1992 was er, in het kader van het Filmfestival van Gent en andermaal met materiaal uit Daisnes rijke filmarchief, een tentoonstelling Europese filmmakers in Hollywood 1905-1945.
Een jaar later werd het Studiecentrum Johan Daisne opgericht. Inspirator en medestichter Rik Lanckrock werd de eerste voorzitter.
Van september tot oktober 1994 was er te Gent een filmretrospectieve Johan Daisne, 10 films, 10 bioscopen. Onder redactie van Sylvia van Peteghem werd een catalogus gepubliceerd.
Op 24 augustus 2003 (een kwarteeuw na zijn overlijden) herdacht de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde (samen met het Studiecentrum Johan Daisne) haar medelid met een studiedag en een academische zitting.
Tenslotte eerde het stadsbestuur één van haar “meest Gentse” auteurs met een straatnaam: de Johan Daisnestraat die, gescheiden door het Casinoplein, in het verlengde van de Wispelbergstraat ligt, de Kastanjestraat uit Hoe schoon was mijn school.

[Frans Heymans]

Over J. Daisne: