terug naar index
Bake, Alijt

(Utrecht(?), 13.12.1415 - Antwerpen(?), 18.10.1455) 

Priorin van het Gentse klooster Galilea en schrijfster van een autobiografie en van mystieke teksten. 

Het werk van Alijt Bake is te situeren binnen de laat-middeleeuwse religieuze volksbeweging, de Moderne Devotie. Op 25-jarige leeftijd besliste zij het aardse voor het hemelse te ruilen door een spirituele weg te volgen en toe te treden tot het Gentse klooster Galilea dat tot het Kapittel van Windesheim behoorde. Het klooster was gevestigd in de buurt van de Torrepoort, in de Gentse parochie van Sint-Michiels. In haar autobiografie, Mijn beghin ende voortganck (ca. 1451-1452), verhaalt ze welke hoge verwachtingen ze koesterde van haar toetreding. Ze stelt zich op als een bevlogen vrouw die vastbesloten is om Christus na te volgen in de geest van de Moderne Devotie. Via een visioen verneemt ze haar opdracht: ze moet in het klooster Galilea blijven om haar medezusters het inwendige leven te leren kennen. 

Tot het werk van Bake behoort, naast haar reeds vermelde autobiografie, onder meer ook De vier kruiswegen, De louteringsnacht van de actie, De lessen van Palmzondag en De trechter en de spin. 

Bake mag een succesrijke vrouw genoemd worden. Zij nam haar opdracht ernstig want reeds in 1445 werd ze priorin van het klooster. Vanaf dan schreef ze meer en meer mystiek gerichte teksten die voornamelijk stichtend bedoeld waren. Zo beschrijft ze hoe haar medezusters via klassieke elementen als meditatie, lijden en deemoed, tot een pure levensvorm kunnen komen.
In de periode 1451-1452 werkte zij aan haar autobiografie. Ze was er dan van overtuigd, destijds de juiste keuze te hebben gemaakt door in Galilea te blijven. Ze beschrijft hoe ze een meditatieve weg vond die normaliter enkel maar door “sterke mannen” is te bewandelen. Bovendien richtten andere kloosters van de orde zich in deze periode naar het Gentse religieuze leefmodel. Haar succes is ook af te leiden uit de omvang van haar literaire productie: weinig vrouwen kregen het in die tijd voor elkaar een dergelijke hoeveelheid mystieke teksten te schrijven. 

In 1455 viel zij echter in ongenade. Na een visitatie van de Windesheimse hoogwaardigheidsbekleders aan het klooster besloten haar oversten, haar af te zetten. De reden hiervoor is niet eenduidig te verklaren, maar veel is zonder meer te wijten aan de literaire bevlogenheid van deze Gentse priorin. Bovendien had zij kritiek geuit op haar voorgangster én op haar oversten.
Nog datzelfde jaar 1455 vaardigde het Kapittel van Windesheim een schrijfverbod uit dat vrouwen het recht ontzegde, over hun eigen religieuze ervaringen te schrijven. Bake werd verbannen naar een klooster in Antwerpen van waaruit ze nog een Brief uit de ballingschap schreef. Daarin hield ze vast aan haar ideaal van innerlijke vroomheid. 

[Dominiek Stoop]

Over A. Bake: