terug naar index
Ysengrimus

(circa 1148-1149)

Ysengrimus, toegeschreven aan magister Nivardus of Nivardus van Gent, is het oudste Latijnse dierenepos (midden 12de eeuw) waarin, voor het eerst, de wolf Isengrim en de vos Reinaert samen optraden als sprekende en handelende wezens, alsof het mensen waren. In een aantal satirische dierenverhalen werd het hoofdpersonage Isengrim, mede door het meesterlijke woordenspel en de valstrikken van Reinaert, telkens opnieuw het slachtoffer van zijn roof- en vraatzucht.
De Latijnse Isengrimus beïnvloedde zowel de Franse Roman de Renart (circa 1170) als het meesterwerk van de dierenepiek van West-Europa, Van den Vos Reynaerde. Dat laatste verscheen pas in de tweede helft van de 13de eeuw, geschreven in de Middelnederlandse volkstaal. Eeuwen later kan men met Ysengrimus kennismaken in het Nederlands, dankzij Magister Nivardus’ Isengrimus (1946), de vertaling in verzen door pater Jozef van Mierlo en dankzij Isengrimus (1997), de prozavertaling door Mark Nieuwenhuis. Niemand minder dan Louis Paul Boon bewerkte en actualiseerde Ysengrimus en Van den Vos Reynaerde onder meer in De Kapellekensbaan (1953) en Wapenbroeders (1955). De figuur van de wolf sprak hem zelfs dermate aan dat hij begin de jaren ’50 zijn nieuwe woning in Erembodegem “Huize Isengrimus” noemde. 

Ysengrimus en Gent
 
De naam van de mogelijke dichter van Isengrimus werd gevonden als “Magister Nivardus de Ysengrino et Reinardo”, in een handschrift van het einde van de 13de eeuw/begin 14de eeuw. Vermoedelijk was hij een clericus die zeer goed de situatie van de Sint-Pietersabdij én het religieuze leven in Gent en de wijde omgeving kende. De dichter plaatste zijn fictief personage, Isengrim (de wolfsmonnik), in een schijnheilige wereld waarin religieuze waarden een negatieve betekenis kregen. Isengrim krijgt in het verhaal voortdurend de dubbelrol van kloosterling én bisschop toebedeeld en dat was niet toevallig: op die manier kon de dichter zijn satire immers beter richten op de hoogste kerkelijke gezagsdragers zoals Anselm, bisschop van Doornik (het diocees waartoe Gent behoorde) en Eugenius III, paus van Rome. Wellicht had de dichter ook kennis van het historische feit dat bisschop Anselm in 1147 de Sint-Baafsabdij bezocht – en een dergelijk bezoek betekende meestal een aanslag op de abdijvoorraden.
Populaire Gentse heiligen werden “te hulp” geroepen tijdens heftige aanvallen op Isengrim. Zo ging in één der fragmenten ene boerin Aldrada hem te lijf onder aanroeping van Sint-Pharaïldis. Deze heilige leeft tot vandaag voort in het Sint-Veerleplein (vroeger: historische naam: Veerleplaats; bestuurlijke naam: Sinte-Pharaïldeplaats). Reeds vóór de 12de eeuw was de Sint-Pharaïldakerk verbonden met het Gravensteen.
In een andere passage zwoer meester Carcofas, de ezel, bij de patroonheilige van Gent, Sint-Bavo, terwijl hij de wolf onvriendelijk bejegende.
Eén van de hoogtepunten van dit dierenepos speelde zich af in de “abdij Blandinium”, de omgeving van de huidige Gentse Sint-Pietersabdij. Op aanraden van de listige Reinaert trad Isengrim er in, als de zogenaamde goede herder. In werkelijkheid was hij vooral verlekkerd op de schapen aan de Schelde. De Gentse episode bereikt een climax als de wolfsmonnik betrapt wordt in de kelder terwijl hij zich te goed doet aan de wijn. Vernederd door de broeders, die hem talrijke slagen toedienden – wat eigenlijk een parodie was op een feestelijke bisschopswijding – verliet hij noodgedwongen de abdij.

[Joël Neyt]

Over Ysengrimus: