terug naar index
Zuidstation

Bijna eenieder, die aan de stad Gent al eens een bezoek heeft gebracht, zal voorzeker ook wel het schoone Zuidstation kennen, welk zich in het centrum der stad bevindt, doch op het oogenblik, dat wij dit schrijven, tot verdwijning is gedoemd.
Wij zullen evenwel terugkeeren tot de dagen, dat dit schoone station nog open was en ik denk, dat er weinig van onze lezers zullen vermoeden, welke tafereelen er zich aldaar somtijds ontrolden; natuurlijk met uitzondering van deze, welke tot de trouwe bezoekers van dit station behoorden.
Indien de muren van dit gebouw ooren hadden en konden spreken, dan zou ons leven heel zeker te kort zijn, om te luisteren naar de verhalen, die zij ons daarover zouden kunnen geven.

Maanden achtereen heb ik geregeld in het Zuidstation vertoefd, teneinde er al deze verschillende tafereelen te kunnen nagaan. Drie nachten bracht ik er, in de derde klas-wachtzaal, door, waarin talrijke dakloozen den nacht kwamen doorbrengen, zoodat ik ook daar, alles medemaakte en kon bestudeeren.
Geachte lezers, met overtuiging mag ik thans zeggen: “Ik kende het Zuidstation, toen het nog voor het publiek open was; ik kende de geheimen ervan, want heb ze doorgrond.”
Het Zuidstation van Gent diende, behalve voor de reizigers, tot vergaderplaats voor de bureel-, bakkers- en slagersbedienden, alsook voor enkele dienstmeisjes.
Hadden zij een afspraakje, met deze of gene, het was aan de horlogie, zoals zij dat noemden.
Tusschen negen en elf uur, in den voormiddag, hadden er alle oude mannen en vrouwen een soort bijeenkomst, en ook deze vonden hier hun gading, om er een paar uurtjes over de politiek te kouten. Deze bijeenkomst herhaalde zich weer van twee tot vier uur, terwijl er de middaguren, voor enkele fabrieksjongens en –meisjes, werden doorgebracht.
Tusschen al deze bedrijven door, verschenen er nu en dan een groepje werkloozen, die aldaar, tot groote ergernis der werkvrouwen, een oogenblikje kringetje kwamen spuwen.
Ook Jan de Soldaat was er ’s avonds na zes uur present en zag er verlangend uit, naar de een of andere keukenprinses. Had hij deze gevonden, dan richtte hij, met haar, onmiddellijk zijn schreden naar haar keukenpaleis, teneinde er een kleine inspectie over de spijzen te houden en aan deze tevens eens flink zijn buikje te vullen.
Tegen dat alles bestond er natuurlijk niet het minste bezwaar. Het spreekwoord zegt immers: “Men moet de zon in ’t water kunnen zien schijnen,” en wat kwaad steekt erin, dat onze landverdedigers, ten koste van anderen, eens flink hun buikje vullen?
Men wachtte zich evenwel voor hetgeen er in den regel, des avonds, na tien uur verscheen.

Behalve het aantal reizigers en dakloozen, die in de derde klas-wachtzaal een onderkomen kwamen zoeken, kon men er ook een aantal meisjes van lichte zeden en souteneurs aantreffen, welke op dat uur naar dit gebouw kwamen geslenterd.
Laatstgenoemden kwamen naar het station met het inzicht om aldaar hun minnares met den een of anderen wellusteling in betrekking te stellen, die daarna, met de lichtekooi, naar het een of ander kamertje trok.
Het spreekt vanzelf, dat dit alles meestal gepaard ging met het betalen van soms hooge geldsommen, want het is slechts het geld, dat de lichtekooien en souteneurs begeeren. Wat zij daarvoor moeten doen?... Ba, dat is voor hen van minder belang,… daar vragen ze zelfs heelemaal niet naar.

Ongelooflijk zal het misschien voor de lezers klinken, wanneer ik hier neerpen, dat er in en rond het Zuidstation ook personen liepen, welke, door reeds bejaarde geilaards, werden betaald, om hun het een of ander onschuldig meisje ter hand te doen, en menigmaal hebben wij dergelijke tooneeltjes aldaar gade kunnen slaan.
Deze schurken, want zoo mogen dergelijke personen genoemd worden, trachtten alsdan, met het een of ander meisje, dat zij tot slachtoffer hadden gekozen, een gesprek aan te knoopen, terwijl de geilaard in kwestie zich in de nabijheid bevond.
Was de zaak met het meisje door den makelaar in orde gebracht, dan werd de zoogenaamde minnaar, door een teeken, hiervan op de hoogte gebracht. Deze wist alsdan, onder het een of andere voorwendsel, ten tooneele te verschijnen en daarna, ongemerkt, met het meisje uit het statiekwartier te verdwijnen.
Talrijke dienstboden, in den regel meisjes van den buiten, welke in hun vrije uren even naar het station kwamen, in de hoop aldaar een bekende van hun geboorteplaats te zullen ontmoeten, zijn op deze wijze in de handen dier schurken gevallen.
Het was alsof er vanuit deze personen een soort magnetische kracht uitging, want wonderlijk, weinigen ontglipten hen.
Even voordat het station, des nachts, gesloten werd, kon men er dergelijke tafereelen nog gade slaan, doch alsdan werden de slachtoffers meestal gekozen onder degenen, die hun laatsten trein gemankeerd hadden en zoodoende gedwongen waren om in de stad te overnachten.
Dank zij het krachtdadig optreden der politie en gendarmen werd het station, zoo nu en dan eens, van die bende gezuiverd, en naar men ons verzekerde, heeft zij zich thans geheel naar het St-Pietersstation verplaatst, zoodat men vermoedelijk aldaar nog dergelijke toneeltjes zal kunnen gade slaan.
Maanden zullen er evenwel verloopen voordat ge volledig van hun werkwijze op de hoogte zult zijn, want in iederen vreemdeling, d.w.z. in elken onbekende, die in hun nabijheid rondslentert, zien zij een agent der geheime politie.

Uit:
Pierre van de Moortel: Avonturen in de avonduren (1930), p. 113-117


Vind dit boek in de bibliotheek Gent