terug naar index
Voorbije passages, I

In Vlaanderen ontsnapt men aan twee dingen, de anonimiteit en de rechtzinnigheid. Nederland is bezig een stad te worden. Dat gebeurt ten koste van het land. Stad is regering en spraakmakende gemeente. Televisie en kranten zijn bijna altijd stad. Stad is vrijzinnig, maar ook anoniem. Het land mokt, sticht als reactie de EO en de Tros, leest De Telegraaf en gaat ter kerke. De overwinning van Van Agt, dat is door de progressieven (de stad) nog steeds niet begrepen, is naast allerlei andere zaken ook de verlate wraak van het land op de stad. In vergelijking met Frankrijk en Duitsland lijkt Nederland progressiever en vrijzinniger omdat de grote landen meer land hebben, en mensen die op het land wonen zijn vaak conservatieven. In Vlaanderen zijn steden, maar het is nog lang geen stad. Het is dus minder progressief, maar ook minder anoniem. Een kwestie van keuze. En wat de rechtzinnigheid betreft (in welke leer dan ook) die zullen wij altijd hebben. Wij zijn een land van schuld en boete, dat is de straf die wij hebben geërfd. Het tragische is dat het lijkt of onze slechtste eigenschappen in Vlaanderen in de mode beginnen te komen. Niemand kan zeggen dat ik niet heb gewaarschuwd.

Je moet nog lelijk oppassen met dit soort dingen, want voor sommige mensen klinkt landelijk als een belediging. Gent is voor mij tot in het diepst van zijn middeleeuwse ziel een stad, een polis, maar het heeft tegelijk iets landelijks. De graadmeter van die dingen is de omgang van mensen met elkaar. Ik voel mij zeer goed thuis in de metropolis waar niemand iemand kent, maar tussen de stad waar men nog met elkaar omgaat en die waar dat helemaal niet meer gebeurt is er voor mij niets, behalve die absolute uitzondering op alles, de binnenstad van Amsterdam, maar dat is een huis.

De laatste grote vertelling van Hugo Claus, Het Verlangen, combineert en illustreert de dingen waar ik het hier over heb optimaal. Het café van waaruit het verhaal geboren wordt is een dorp in de stad met zijn eigen drama en folklore. Het verhaal zelf is herkenbaar, en dus dichtbij, maar het decor is Gent, en dus exotisch. (Het is een stupide misverstand dat alleen wat echt ver weg is exotisch zou zijn. Exotisch is dat waar je in principe geen deel aan kunt hebben.) Het meesterlijke van het boek is dat het tegelijkertijd regionaal en kosmopolitisch is – Claus brengt zijn figuren regelrecht over uit de beslotenheid van het Gentse kaartcafé naar de gruwelijke openheid van het grootste kaartcafé ter wereld, Las Vegas, en ook bij de aanslag die de “grote wereld” op zijn helden pleegt blijft hun Gentse eigenheid volledig intact, en dat zegt zowel iets over die onverwaterde eigenheid als over de maîtrise van de schrijver die een Gents drama zijn beslag laat krijgen op tienduizend kilometer afstand. Nederlanders willen altijd alles precies weten en dus is er in Nederland geklaagd dat het niet duidelijk is wie nu precies de verteller is. I couldn’t care less – er zijn bij ons (bei uns) al zoveel boeken waarvan iedereen weet wie de verteller is omdat het uitsluitend om hem gaat. In dit boek wordt verteld, en dan met handen en voeten, zoals op een groot orgel.

Uit:
Cees Nooteboom: Voorbije passages (1981), p. 157-159


Vind dit boek in de bibliotheek Gent