terug naar index
Verdwaald en gestrand

In 1816 reisden Lord Byron en zijn lijfarts, John William Polidori, per postkoets van Engeland naar Italië. Van 27 tot 29 april verbleven zij in Gent. Over hun bezoek aan de stad schreef Polidori in zijn dagboek. 
(Na de Engelse tekst volgt een Nederlandse vertaling door de redactie.)

 

April 26
(...)
... Within a few miles of Gand, I was wakened from a pleasant fireside in England by my companion saying “They have lost their way”; and, seeing a house near me, I jumped out to enquire, when to my great fear I saw it was deserted. I immediately suspected something, and went back for a pistol, and then thundered at the door; no one came. Looking round, I saw other houses; towards which upon my moving the postillion got off, and, telling me in French, as a consolation, that he could not understand it, went with me towards a house where there was light, and suddenly ran off. I immediately went to the carriage, and we gave sabres to the servants; when he ran back from out of sight, and knocked again at the door and roused two, who told us the way. By the by, we had crossed several times the bridge, and from the road and back again, whereas we had nothing to do but to go straight on, instead of which he crossed over and was going back in the direction of Bruges, when our servant stopped him. I cannot explain his conduct; he was dreadfully frightened.
We arrived at Ghent at 3 in the morning, and knocked some time at the gates, but at last, by means of a few francs, got through – passports not asked for. Got to the Hôtel des Pays Bas, where Count Artois resided while at Ghent. We were, ushered into a splendid room, got excellent Rhenish, butter, cheese, etc., and went to bed.
(...).

April 28  We set off at 8 this morning to go to Anvers; but, after having proceeded some way, one of the wheels refused to turn, and, after at the next village hammering a long while, I rode off in a passing calèche to Ghent, where I put a maréchal with his assistant into a voiture, and, mounting myself on horseback, returned to the coach. My horse was particularly fond of the shade; and, a house being near one of the barriers, he kindly stopped there to cool me. I, after waiting some time, began to press him to go forward, when he kicked etc. We went, while the carriage was being repaired, into a cottage, where all was extremely neat, and we saw two pictures in it that certainly would not shame the collection of many of our soi-disant cognoscenti. The old man was sick of a fever; and, upon giving him medicine, his kind half sympathetically fell ill of a toothache. Never did I see such chips of the old block as his two daughters. They were kind. It being Sunday, we saw all the women of the village – all ugly: indeed, I have not seen a pretty woman since I left Ostend.

 

Nederlandse vertaling

Enkele mijlen van Gent werd ik [uit een droom over] een aangename haard in Engeland wakker geschud door mijn reisgezel die zei “Ze zijn verdwaald”; en toen ik een huis aan mijn kant zag, stapte ik uit om inlichtingen te vragen maar tot mijn grote angst zag ik dat het onbewoond was. Onmiddelijk was mijn argwaan gewekt en ik ging terug om een pistool te halen, bonkte dan op de deur; er verscheen niemand. Om mij heen kijkend zag ik andere huizen waarna de koetsier op mijn gebaren afsteeg en mij in het Frans, alsof hij mij wilde geruststellen, zegde dat hij het niet begreep; hij ging met mij naar een huis waar licht was, en zette het dan plots op een lopen. Ik keerde meteen terug naar het voertuig en we gaven de bedienden sabels, toen hij [de koetsier] terug uit de duisternis kwam lopen, opnieuw op de deur klopte en twee [bewoners] wekte die ons de weg wezen. Tussen haakjes, we hadden de brug verschillende malen overgestoken vanaf de weg en weer terug, terwijl wij gewoon rechtdoor hadden moeten rijden, in plaats daarvan stak hij over en keerde terug in de richting van Brugge, tot onze dienaar hem deed stoppen. Ik kan zijn gedrag niet verklaren; hij was vreselijk bang.
We bereikten Gent om 3 uur ’s morgens, en klopten enige tijd op de stadspoorten, tot wij uiteindelijk, voor enkele franken, verder konden zonder dat onze paspoorten gevraagd werden. Wij gingen naar het Hôtel des Pays Bas waar de hertog van Artois verbleef als hij in Gent was. We werden naar een schitterende zaal geleid, kregen uitstekende rijnwijn, boter, kaas enz., en gingen naar bed.
(...)

28 April. –  Om 8 uur deze morgen begaven we ons op weg naar Antwerpen maar nadat we een korte afstand hadden afgelegd, weigerde een van onze wielen nog te draaien en, nadat we in het volgende dorp lange tijd op hadden gehamerd, reed ik met een voorbijkomende kales [kleine open koets] mee terug naar Gent, waar ik een hoefsmid en zijn assistent in een rijtuig zette, zelf een paard besteeg en terugkeerde naar de koets. Mijn paard was erg gevoelig voor schaduw en bij een huis dat dicht bij de weg stond, stopte het vriendelijk om mij te laten afkoelen. Ik spoorde het aan om voort te gaan, toen het na enig wachten begon te stampen enz. Terwijl het rijtuig hersteld werd, gingen we in een landhuisje waar alles kraaknet was, en we zagen er twee schilderijen die zeker niet zouden hebben misstaan in de collectie van veel van onze zogezegde kenners. De oude man leed aan koorts en nadat ik hem een geneesmiddel had gegeven, was zijn wederhelft zo vriendelijk, tandpijn te krijgen. Nooit zag ik twee dochters die zoveel gelijkenis met hun vader vertoonden. Ze waren vriendelijk. Het was zondag, we zagen alle vrouwen van het dorp – allemaal lelijk: inderdaad, sedert we Oostende verlieten, heb ik geen aardige vrouw meer gezien...

Uit:

John William Polidori: The diary of dr. John William Polidori, 1816, relating to Byron, Shelley etc.  (1911), p. 36-37 en 42-43