terug naar index
Trikonie

[Trikonie] was een kind van goeden huize, en fijnschilder van stiel. In 1779 werd hij belast de schilderwerken in den Franschen Schouwburg te herstellen. Eens had hij een groot werk ondernomen en zich deerlijk misrekend: hij werd rechterlijk uitgeschud: maar hij stelde er een eer in alles te verkoopen wat hij bezat om zijn schuldeischers te voldoen. En zoo is zijn ongeluk in de wereld gekomen.

Hij begaf zich aan den drank, daalde lager en lager, kwam ten slotte in het schooiersgild te recht en werd meermalen in het bedelaarsgesticht van Brugge opgesloten. En trots alles wist hij zijn goed humeur te bewaren. Hij zei, als troost, dat er altijd menschen zijn die medelijden hebben met de armen. ‘k Zie het aan mijn eigen, sprak hij: oaz ek een aalmoese vrage dript er altijd wat af; ze zegge wel: woarom en wirkte nie, moar kannekik virme zonder bistels en grieschap? ’t Es allemoal versleten aan die èwe zottepuurte (het vrouwen krankzinnigenhuis) dak gevirmd èn per anterprieze; ‘k en was nog moar e kertier bezig of mijnen bistel was al versleten in die èwe goaten om de koppenetten uit te witte van de puurte van de nonnekes.
Op zekeren dag vraagt hij een aalmoes aan een rijken heer en kreeg voor antwoord: “Ik en geve aan geen tsenuivermuile.”
In Godsnoame, zei Trikonie, da mijn middels het mij permetteerdege, mijnheere, ‘k dronke wijn gelijke gij!

Dat Trikonie eerlijk was hebben wij reeds gezien: hij bezat ook een goede inborst. Iemand stelde hem eens voor om voor zijn rekening graan te gaan opkoopen naar buiten. Om de dierte in ’t land te breinge en de meinsche honger te doen lije, daarveure bennekik nie opgebrocht, zei Trikonie.
Hij had nochtans dikwijls veel moeite gedaan om op eerlijke wijze zijn brood te verdienen. Hij werd zelfs liedjeszanger op de Vrijdagmarkt en toen hij daarin geen bestaan vond werd hij “afzetter” op de Appelmarkt (laden en lossen van appelen), vervolgens boodschapper en te langen leste, grove diamantslijper.
In 1817 poogde hij nogmaals door werken iets te verdienen. Hij werd Klirrée (clairé) of fakkeldrager, om de rijke menschen van den schouwburg naar huis te vergezellen, voorafgegaan met een brandende toorts, maar ook dat bracht niets op, er was te veel concurrentie.

Toen hij op zekeren avond bij zijn gewoon gezelschap viel, al typen van zijn kaliber, vroeg hij ne goai, erbij voegende: me zimme te Nieuwjoar ne kier afrekenen, Sanne, dad en kan ezuu nie blijven stoan, hoeveelsten est ni?
Sanne. – ‘t Èster ni zeventiene.
Trikonie. – Mee den dezen mee?
Sanne. – Mee den dezen mee est achttiene.
Trikonie. – Ze zin i vandoage nog gewerden, Sanne!
Dit was natuurlijk gezegd om de herbergiester welgezind te stemmen, want hij was ten volle overtuigd, dat het een belofte was in den wind, waarvan ten andere Sanne ook meer dan overtuigd was.
Sanne. – ‘Kluuve doar niets af.
Trikonie. – Ge weet....
Sanne. – Ja ik, ‘k weet er alles van, moar oasge nie en keun betale, doet er ten minste iets veure.
Trikonie. – ‘k En vrage nie liever, wa moe ‘ker veure doen?
Sanne. – (die al lang naar een uitsteekberd hunkerde). Mij en uitsteekberd schilderen.
Trikonie. – ’t Ès hem al gedoan, èst hem al gedoan, ge zilt i uitsteekberd hèn; moar wa moet er doar opstoan? Nen olifant? Ne kemel?
Sanne. – Nie zilde, der worden al kemels genoeg geschoten!...
Trikonie. – Wa wilde toes, zegget?
Sanne. – Een duive.
Trikonie. – G’èts al. Moar wakkene moet ‘t zijn? Een zittende of een vliegende?
Sanne. – Oast i gelijk es....
Trikonie. – Persies, iender en gelijk.
Sanne. – Een vliegende.
Trikonie. – Morgen hedde ze!

En inderdaad, ’s anderdaags kwam Trikonie af met zijn bord, waarop een groote duive geschilderd was, naar het oordeel van de klanten, een meesterstuk van Trikonie, dat onmiddellijk aan de voorgevel werd opgehangen.
Op dat meesterstuk werd er gedronken en de herbergierster, over van vreugde, toonde zich bijzonder mild, Trikonie’s schuld werd van achter de blaffeturen weggevraagd, en hij kreeg er nog een halve dozijne “gaaien” bij.
Maar nu had er binst den nacht een vreeselijk onweer plaats, met een regen gelijkend op een tweeden zondvloed.
Al wie des morgens de herberg binnen kwam riskeerde natuurlijk een oogske naar de duif, maar niemand zie er een woord over: de blikken die de binnenkomenden met de reeds aanwezigen wisselden, zeiden genoeg, terwijl een schalksche glimlach op ieders wezen stond.
Sanne was eenigszins verwonderd over die stilzwijgendheid, en zag ook dat er zoveel menschen voor het huis een poosje bleven staan en dan lachende heengingen.
Door de nieuwsgierigheid gekweld ging zij eens tot buiten het huis: zij zag nog wel het uitsteekberd, maar van de duif was geen pluimke meer te zien.

Trikonie had ze zeker voor den goedkoop met waterverf geschilderd.
Sanne was woedend en ze zou het ditmaal Trikonie betaald zetten.
Trikonie kwam binnen.
Jellen tot Melsen. – Hij loat hem binnenvalle!
Melsen. – Zij muile ès persies een zeintse.
Trikonie, die met één oogslag heel de katastroof had overzien, wenschte hun een goeden dag met een blik van verstandhouding.
Met zoete stem zei hij: Sanne, geef mij een dobbel goeleke!
Sanne opschietend. – Een dobbel goeleke, ‘k viele nog liever duud!
Melsen tot Jellen. – ’t Spel goat op den wagen.
Trikonie. – Da ware een biestigheid, Sanne.
Sanne. – ‘t Ès al een gruutere biestigheid die ge gij uitgestoken èt.
Trikonie. – Ikke? ‘k mag eeuwig verdomd zijn, oazek wetewa dade wil zegge.
Sanne. – Ga buiten, ge zult het seffens wete, bedrieger!
Trikonie. – Hola! hola! Nie zeggen dagge nie en weet. Trikonie en hee van zijn leven niemand bedrogen, moar velen ènder Trikonie bedroge.
Algemeene en luidruchtige instemming van al de kannelichters en glazendrogers, die als naar gewoonte bijeen zaten.
Trikonie. – Wa! Ikke nen bedrieger, dat en ès op gienen blèwe stien gevalle? Doe gij tons e goe wirk!
Sanne. – De bewijzen zijnder toch.
Trikonie. – Wakke bewijze?
Sanne. – Van de duive!
Trikonie. – Ha, sakkernondemieledzuu, da ‘k zuu lielijk zegge! Da goat over zijn hijt! Wa hè ‘k gevroagd? Een vliegende of een zittende duive? En wad èdde mij g’antwoord: een vliegende, en ni dasse goan vliegen ès reklameerde. Ha sakkernonde....

Een geweldige algemeene schaterlach volgde als een ontploffing! Zelfs Sanne was ontwapend in zooverre dat ze Trikonie een dubbel goeleke schonk, waarop hij haar beloofde een duive te schilderen opgesloten in een piere, die wel zou blijven zitten of ze moest met het uitsteekberd en het huis wegvliegen.
Zoo was het eerlijk en humoristisch karakter van een der meest geliefde Gentsche volkstypen.
Hij stierf ellendig, verlaten en ongehuwd. De man verdiende een beter lot.
Zijn naam was Trinconie Pieter-Frans.

 

Uit:

Lodewijk Lievevrouw-Coopman: Volkskundige sprokkelingen: oude Gentsche typen en andere zantingen (gecit. ed. 1942), p. 6-9



Vind dit boek in de bibliotheek Gent